Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

Digitale sporen? Burgers helpen online mee.

Een kwalitatief onderzoek naar burgerparticipatie bij open bronnenonderzoek in de opsporing.
Severien Verbeek

  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Digitale sporen? Burgers helpen online mee.

  1. 1. 2 Digitale Sporen? Burgers helpen online mee Een kwalitatief onderzoek naar burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek in de opsporing Severien Verbeek 6112188 29 juli 2020 Afstudeerscriptie in het kader van de bachelor Bestuurskunde en Organisatiewetenschap op de Universiteit Utrecht Eerste lezer Universiteit Utrecht dr. Jeroen Vermeulen Tweede lezer Universiteit Utrecht mr. Patricia Wijntuin In samenwerking met: Voorwoord Gedurende vier maanden heb ik mij verdiept in een indrukwekkend onderdeel van de digitale opsporingswereld; het open bronnen onderzoek. Ondanks mijn dagelijkse activiteiten op open bronnen, zoals Facebook, Instagram en Snapchat, was ik mij nooit bewust van de digitale sporen die ik achterlaat. Ik heb tijdens het onderzoeksproces meermaals met mijn mond vol tanden naar het beeldscherm gestaard. Het internet is krachtig, daar is geen twijfel over mogelijk. Dit onderzoek had nooit tot stand kunnen komen zonder de medewerking van een aantal mensen, die ik graag zou willen bedanken. Allereerst, wil ik alle deelnemers van de Hackathon FASTNL, die met mij in gesprek zijn gegaan, bedanken voor het delen van hun ervaringen en kennis. De wilskracht die jullie hebben om de samenleving een stukje beter te maken heeft mij geraakt. Daarnaast, dank ik mijn begeleiders tijdens het onderzoeksproces. Jeroen Vermeulen, mijn begeleider vanuit de Universiteit Utrecht, bedankt voor het beantwoorden van mijn vragen en het bewaren van de rust als het niet verliep zoals gepland. Ook wil ik Jerôme Lam van de Politieacademie hartelijk bedanken voor de behulpzaamheid aan het begin van mijn onderzoek en het vertrouwen tijdens de looptijd van mijn onderzoek. In het bijzonder wil ik BlueMovement bedanken voor het organiseren van de Hackathon FASTNL en het mede mogelijk maken van dit onderzoek. Tot slot, wil ik iedereen bedanken die mij heeft aangemoedigd en ondersteund de afgelopen maanden. De studenten van mijn scriptiegroepje, Isa Geerts en Timo Vogel, ik dank jullie voor het meedenken en de interessante inzichten tijdens de online meetings. Paul van Dijk, ontzettend bedankt voor de eerlijkheid en het geven van feedback op mijn onderzoek. Ook wil ik mijn lieve zussen Elise Verbeek en Marilou Verbeek bedanken voor de steun en het samen studeren in de coronatijd. Dan rest mij nog een dankwoord voor mijn ouders, die hard hebben gewerkt om dit voor mij mogelijk te maken. Severien Verbeek Leerdam, juli 2020
  2. 2. 3 Inhoudsopgave Voorwoord 3 Hoofdstuk 1: Inleiding 4 Probleemstelling Onderzoeksvraag Maatschappelijke relevantie Wetenschappelijke relevantie Hoofdstuk 2: Theoretisch kader 6 Burgerparticipatie in open bronnen onderzoek Waarom burgerparticipatie? Participatieladder Burgerparticipatie in de opsporing Dilemma’s burgerparticipatie Informatie delen Vertrouwen Hoofdstuk 3: Methoden 10 Wetenschapsfilosofie Triangulatie Data-analyse Validiteit en betrouwbaarheid Hoofdstuk 4: Resultaten 13 Burgerparticipatie in open bronnen onderzoek Meerwaarde burgerparticipatie Knelpunten burgerparticipatie Informatie delen Wetgeving Vertrouwen Hoofdstuk 5: Discussie 21 Koppeling empirie en theorie Beperkingen Hoofdstuk 6: Conclusie 23 Hoofdstuk 7: Aanbevelingen 24 Literatuurlijst 26 1Hoofdstuk 1 Inleiding
  3. 3. 4 1. Inleiding Op 17 juli 2014 is vlucht MH17 van Malaysia Airlines met een BUK-raket neergehaald in Oost- Oekraïne. Sindsdien is er een onderzoek opgestart vanuit Bellingcat, een onderzoekscollectief opgericht door burgers, dat zich bezighoudt met het verzamelen van informatie over strafbare feiten op het internet. Het team van Bellingcat bestaat uit een internationale samenstelling van professionals, die gespecialiseerd zijn in het onderzoeken van openbare bronnen en sociale media (Duijf, 2018). De burgeronderzoekers van Bellingcat achterhalen bijvoorbeeld de route die de BUK-raket aflegt aan de hand van foto’s op sociale media. De informatie die wordt gedeeld met het onderzoeksteam van de politie wordt gezien als extreem waardevol (Rosman, 2019). De positie van burgers in het onderzoek van de MH17 ramp is een voorbeeld van de veranderende rol van burgers in de opsporing. Naast de rol van de burger als getuige, slachtoffer of aangever, speelt de burger een alsmaar actievere rol binnen het opsporingsproces (Kop, 2016). Burgers kruipen individueel of als groep steeds meer in de rol van de recherche en kunnen zodoende hun bijdrage leveren aan het bestrijden van misdaad en het verbeteren van de veiligheid in Nederland (Kerstholt & De Vries, 2018). Digitalisering en nieuwe technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat het grote publiek actief kan meedenken bij opsporingszaken (Land, Stokkom & Boutellier, 2014). Het belang van burgerinitiatieven neemt toe door sociale media, omdat zij met behulp van Instagram, Twitter, Facebook en Whatsapp zelf kunnen opsporen en een rol spelen bij het zoeken en vervolgen van daders (Kop, 2016). Om in te spelen op de digitalisering en veranderende rol van de burger ontstaan binnen de politieorganisatie voortdurend experimenten om burgers te betrekken bij opsporingsonderzoeken. Hackathon FASTNL is een voorbeeld van zo’n experiment, waar OSINT-specialisten werkzaam bij de politie, publieke en private organisaties gezamenlijk ‘jagen’ op voortvluchtigen (Walter, 2020). Open Source Intelligence (OSINT’ is het verzamelen van informatie uit open en publieke bronnen om een opsporingsonderzoek te verrijken (Glassman & Kang, 2012). De focus van dit onderzoek ligt op het betrekken van burgers in opsporingsonderzoeken met behulp van OSINT. In dit onderzoek hebben zeventien semigestructureerde interviews met deelnemers en betrokkenen van de Hackathon FASTNL plaatsgevonden. Een andere manier waarop data is verzameld voor dit onderzoek is het uitvoeren van observaties en documentanalyses. Hieronder zal eerst het vraagstuk in context worden geplaatst. Om het vraagstuk verder af te bakenen is vervolgens de probleem -en doelstelling geformuleerd, waar uiteindelijk de onderzoeksvraag uit voort zal vloeien. 1.1 Probleemstelling De maatschappij is in de afgelopen twee decennia gedigitaliseerd, waardoor mogelijkheden voor communicatie en informatie-uitwisseling enorm zijn toegenomen (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18). Op het internet heeft een grote verandering plaatsgevonden van Web 1.0 naar Web 2.0 en Web 3.0. Het eerste web bestond uit statische websites met informatie vanuit één kant, er was weinig interactie tussen gebruikers van het internet. De komst van Web 2.0 zorgt ervoor dat er interactie is tussen de gebruikers in sociale netwerken in de vorm van bijvoorbeeld podcasts, blogs, Wikipedia en zoekmachines (De Vries & Smilda, 2014, p. 50; Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18). Bovendien, wordt er in de literatuur gesproken over een ontwikkeling naar Web 3.0 of ‘semantic Web’, waar informatie wordt georganiseerd voor gebruikers. Toepassingen op het internet worden geïntegreerd op de behoefte van individuele gebruikers (Naik & Shivalingaiah, 2009). De nieuwe generaties van internet zorgen ervoor dat er ruimte ontstaat voor ‘gewone’ burgers om zelf op zoek te gaan naar informatie (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18). De digitalisering van de samenleving zorgt ervoor dat de politie voor uitdagingen komt te staan. Steeds meer politiemedewerkers krijgen te maken met delicten met een digitale component, waardoor het personeel over nieuwe kennis en digitale vaardigheden moet beschikken. Tegelijkertijd heeft de politie een achterstand gecreëerd op de ‘gedigitaliseerde burger’, omdat voor een lange tijd geïnvesteerd is in traditionele opsporingsmiddelen (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 24). Een ander gevolg van digitalisering is dat de burger een steeds grotere rol kan spelen binnen een opsporingsonderzoek, omdat er een lagere drempel ontstaat voor burgers om deel te nemen aan het opsporingsproces. Door middel van sociale media kunnen burgers informatie over strafbare feiten verzamelen (Kop, 2016, p. 28). De digitalisering gaat hand in hand met de opkomst van de participatiesamenleving, waar de overheid rekent op de kracht van de burgers in de Nederlandse samenleving (Winthagen, 2014). Burgers nemen ongewild of gewild steeds vaker de touwtjes in eigen handen, wat resulteert in lastige vraagstukken over het vormgeven en organiseren van de verbinding tussen burgers en de politie. Daar komt bij dat de houding van de politie naar burgerparticipatie normaliter terughoudend is, omdat bepaalde informatie niet gedeeld kan worden. Steeds meer burgers nemen het voortouw in een opsporingsonderzoek, waardoor een aantal deskundigen binnen de politie vinden dat de politie burgerinitiatieven moet omarmen in plaats van tegenhouden (Lam & Kop, 2020; Duijf, 2018). Het omarmen van actieve vormen van burgerparticipatie vraagt om een cultuuromslag binnen de organisatie, waar geaccepteerd wordt dat burgerparticipatie een onderdeel is van het moderne politiewerk. (Lam & Kop, 2020a). Hierdoor ontstaat vanuit de politie een brede zoektocht naar een effectieve samenwerking met burgers (Politie, 2019). Dit onderzoek zal een bijdrage leveren aan deze zoektocht en inzichten verzamelen van OSINT-specialisten over de samenwerking tussen burgers en opsporing bij open bronnen onderzoek. De OSINT-specialisten hebben deelgenomen aan activiteiten of experimenten waarbij burgers worden betrokken in een open bronnen onderzoek, zoals Hackathon FASTNL. Hierdoor kunnen zij een beeld schetsen van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek. De doelstelling van dit onderzoek is als volgt geformuleerd: Het doel van het onderzoek is om inzicht te verkrijgen in de samenwerking en bijbehorende dillema’s tussen burgers en de opsporing bij een open bronnen onderzoek. Om hierover aanbevelingen te doen zijn de ervaringen, perspectieven en meningen van OSINT-specialisten, die hebben meegedaan aan de Hackathon FASTNL, in kaart gebracht.
  4. 4. 5 De focus van het onderzoek ligt dus op de praktische kant van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek. De wenselijkheid van burgerparticipatie bij de opsporing is een interessante vraag, maar zal in dit onderzoek niet centraal staan. 1.2 Onderzoeksvraag In dit onderzoek staat de volgende onderzoeksvraag centraal: Hoe kunnen burgers volgens deelnemers van de Hackathon FASTNL worden betrokken in een open bronnen onderzoek van de opsporing? De deelnemers van Hackathon FASTNL bestaan uit verschillende OSINT-specialisten werkzaam bij politie, publieke en private organisaties. Door deelname aan Hackathon FASTNL hebben respondenten ervaring met de samenwerking tussen burgers en de politie op het gebied van open bronnen onderzoek. Hierdoor ontstaat inzicht over perspectieven, betekenisgevingen en processen van een specifieke casus. Naast de Hackathon FASTNL is binnen het onderzoek aandacht geschonken aan andere vormen van burgerparticipatie in open bronnen onderzoek om een beeld te krijgen van het bredere plaatje van de samenwerking tussen burgers en de opsporing bij open bronnen onderzoek. De opsporing wordt in het Wetboek van Strafvordering artikel 132a op de volgende manier gedefinieerd: ‘Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen’ (Wettenbank, 2020). 1.3 Maatschappelijke relevantie De maatschappelijke relevantie van dit onderzoek bestaat allereerst uit het maatschappelijke nut voor andere overheidsinstanties. Naast de politie ervaren andere overheidsinstanties, zoals gemeentes, in toenemende mate de participatie van burgers in de samenleving. Hierbij ervaren de instanties ook knelpunten bij het vormgeven van de samenwerking met burgers (Bekkers & Meijer, 2010; p. 9). Dit onderzoek geeft inzicht in de manier waarop burgers betrokken kunnen worden in een specifieke context, wat nieuwe aanknopingspunten biedt voor het betrekken van burgers bij andere overheidsinstanties. Daarnaast, is voor dit onderzoek een specifieke doelgroep gekozen voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag. Door te focussen op de belevenis van OSINT-specialisten ontstaat een specifiek inzicht op het vraagstuk. Op basis van de inzichten van OSINT-specialisten kan de opsporing het vraagstuk van een andere kant bekijken en hierop anticiperen bij het maken van bepaalde beslissingen. De politie kan dus in de toekomst hierdoor rekening houden met de meningen van een specifieke groep binnen het vraagstuk. Tot slot, leggen de bevindingen van dit onderzoek de basis voor aanbevelingen voor het verbeteren van de samenwerking tussen burgers en de opsporing bij open bronnen onderzoek. De ervaringen van de respondenten geven de politie een beeld over de uitkomsten van verschillende activiteiten of experimenten om burgers te betrekken. OSINT-specialisten geven hun mening over de huidige manier waarop burgers worden betrokken bij opsporingsonderzoeken. Hiermee wordt meer duidelijkheid gecreëerd voor de opsporing over de zoektocht naar een effectieve samenwerking met burgers. 1.4 Wetenschappelijke relevantie De wetenschappelijke relevantie is gelegen in het feit dat er één ander onderzoek heeft plaatsgevonden over dit specifieke onderwerp (Lam & Kop, 2020b). Het onderzoek heeft een kwantitatief karakter met als leidraad een vragenlijst over de Hackathon FASTNL bestaande uit meerkeuzevragen en open vragen. Een kwalitatief onderzoek zorgt voor de blootlegging van de dieperliggende betekenisgeving van deelnemers van de Hackathon FASTNL. Hierdoor ontstaat een beter begrip naar de achterliggende motieven en argumenten van bepaalde uitspraken van de evaluatie door Lam en Kop (2020b). Overeenkomstig, is in algemenere literatuur over burgerparticipatie in de opsporing te zien dat bepaalde onderwerpen worden aangekaart, zoals vertrouwen en het delen van informatie (Van Der Hoeven, 2011; Lam & Kop, 2020a; Duijf, 2018; Cornelissens & Ferwerda, 2010). Dit onderzoek kan bijdragen aan bestaande kennis over burgerparticipatie in de opsporing en aanvullingen geven op de thema’s uit de literatuur. Tevens is de politie veel aan het experimenteren met burgerparticipatie. De nieuwe ontwikkelingen op het gebied van burgerparticipatie in combinatie met de digitalisering in de samenleving zorgen ervoor dat wetenschappelijk onderzoek naar het vraagstuk relevant blijft. Het experimenteren van de politie zorgt ervoor dat voorgaand onderzoek naar vormen van burgerparticipatie bij de opsporing verouderd is. Dit onderzoek zal inzichten geven over de nieuwe vormen van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek. Hierdoor ontstaat kennis over de huidige stand van zaken en geeft dit een ‘frisse blik’ op het vraagstuk. 1.5 Leeswijzer Hieronder, zal in hoofdstuk 2 allereerst een beschrijving plaatsvinden van relevante literatuur over het onderwerp. In het volgende hoofdstuk wordt de methodologie van het onderzoek besproken met een toelichting van de methoden en technieken die zijn gebruikt om antwoord te geven op de onderzoeksvraag. Daarbij wordt specifiek ingegaan op de waarborging van de betrouwbaarheid en validiteit van dit onderzoek. Vervolgens, zal het resultatenhoofdstuk bestaan uit de belangrijkste resultaten van dit onderzoek aan de hand van de interviews, documentanalyses en observaties. Daarna, zal geanalyseerd worden hoe de resultaten zich verhouden tot de literatuur. Het verdiepende beeld dat daarmee gecreëerd is zal gebruikt worden om antwoord te geven op de onderzoeksvraag in de conclusie. Tot slot, zijn er een aantal aanbevelingen geformuleerd met betrekking tot burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek.
  5. 5. 6 2. Theoretisch kader In dit deel zal het geheel van concepten, theorieën, veronderstellingen en verwachtingen worden gepresenteerd. Allereerst, wordt er een definitie van het begrip burgerparticipatie in open bronnen onderzoek gegeven. Vervolgens, wordt relevante literatuur over burgerparticipatie in de opsporing uiteengezet. Tot slot, worden de concepten informatie delen en vertrouwen besproken. De literatuur heeft ervoor gezorgd dat er met een ‘lens’ naar het vraagstuk is gekeken en er sensitiviteit binnen het onderzoeksveld ontstond. 2.1 Burgerparticipatie in open bronnen onderzoek In dit onderzoek wordt specifiek gekeken naar burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek. Open bronnen op het internet zijn bronnen die voor het publiek openbaar toegankelijk zijn. De politie heeft toegang tot steeds meer bronnen, die door het internet snel en eenvoudig kunnen worden geraadpleegd (Treeck & Stol, 2000, p. 11). Voorbeelden hiervan zijn het register van een kadaster, maar ook sociale media zoals Instagram, Twitter of Facebook. Een andere term voor deze manier van onderzoek doen is open source intelligence (OSINT). Het doen van open bronnen onderzoek is een manier voor de politie om informatie te verzamelen die helpt een onderzoek verder te brengen (Koops, 2012, p. 30-31). Het begrip burgerparticipatie wordt in wetenschappelijk onderzoek op verschillende manieren gedefinieerd (Dinjens, 2010, p. 6; Blom et al., 2011; Müjde & Daru, 2005). Burgerparticipatie is in dit onderzoek afgebakend naar burgerparticipatie in de opsporing. Duijf (2018) heeft burgerparticipatie in opsporingsonderzoek op de volgende manier gedefinieerd: ‘One or more citizens who independently initiate activities to collect information with regard to a committed crime with the aim of discovering the truth and bringing offenders to justice’ (Duijf, 2018, p. 12). In het boek van De Vries en Smilda (2014) wordt een onderscheid gemaakt tussen burgerparticipatie en burgeropsporing. Burgerparticipatie wordt gedefinieerd als het meekijken en meedenken met de politie en het Openbaar Ministerie. Burgeropsporing gaat een stapje verder en gaat over: ‘Het door burgers verrichten van opsporingshandelingen en het mogelijke gebruik van dergelijk materiaal in het strafproces’ (Brouwer, 2008 in: De Vries & Smilda, 2014, p. 24). Ook Sven Brinkhoff, Universitair docent aan de Open Universiteit, maakt een onderscheid tussen burgerparticipatie en burgeropsporing. Hij beschrijft burgeropsporing als ‘het verzamelen van bewijsmateriaal door burgers’ (Brinkhoff, 2018). In dit onderzoek wordt zowel gekeken naar burgerparticipatie als burgeropsporing. Het begrip burgerparticipatie in open bronnen onderzoek is in dit onderzoek op de volgende manier gedefinieerd: ‘Het verzamelen van bewijsmateriaal door burgers uit open bronnen op het internet met als doel om een bijdrage te leveren aan een opsporingsonderzoek.’ In wetenschappelijke literatuur is weinig over dit specifieke onderwerp te vinden. Om die reden zal hieronder relevante literatuur over burgerparticipatie in algemene zin gepresenteerd worden. 2.2 Waarom burgerparticipatie? Door de jaren heen zijn er verschillende redenen genoemd voor het betrekken van burgers (Van Houwelingen, Boele & Dekker, 2014, p. 23-25). Zo wordt burgerparticipatie gezien als middel om de zelfredzaamheid, eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van burgers te vergroten (BZK, 2011). Een andere reden om burgers te betrekken is dat het huidige niveau 1Hoofdstuk 2 Theoretisch kader
  6. 6. 7 van publieke voorzieningen onbetaalbaar dreigt te worden en het daarom onvermijdelijk is dat burgers steeds meer zelf doen (Van Houwelingen, Boele & Dekker, 2014, p. 23-25). Het verantwoordelijk houden van burgers in de veiligheidssector wordt onder andere verklaart door Garland (2002) en Shearing (2006). Het verantwoordelijk houden van de samenleving voor veiligheidsvraagstukken is door de criminoloog Garland (2002) geïntroduceerd als de responsabiliseringstrategie. Overheidsinstanties betrekken in deze strategie non-publieke organisaties om op een indirecte manier de veiligheid te waarborgen. Volgens Garland (2002, p. 12) komt responsabilisering door het besef dat de gehele samenleving een aandeel heeft in het beheersen en voorkomen van criminaliteit in een maatschappij. Shearing (2006) stelt met het begrip nodalgovernance dat de uitvoering en organisatie van de veiligheidszorg tekortschieten, omdat er vanuit een centrale positie van politie naar vraagstukken wordt gekeken. De bestrijding van criminaliteit kan niet georganiseerd worden vanuit één positie, maar krijgt vorm door meerdere actoren van publieke en private organisaties te betrekken bij een concreet probleem. Shearing (2006) noemt de betrokkenheid van publieke en private actoren ‘Beyond a state-centred paradigm.’ Betrokken partijen maken afspraken om gezamenlijk tot een oplossing van een probleem te komen (Shearing, 2006). Overeenkomstig noemen Van Calster en Schuilenburg (2009) dat de burger door onvrede over het huidige functioneren van de overheidsinstanties zelf wil ingrijpen om de situatie te verbeteren. Zowel Garland (2002) als Shearing (2006) zien dus de meerwaarde van het betrekken van andere partijen, waaronder burgers, in het veiligheidsdomein. Het betrekken van burgers kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Om hier duidelijkheid over te creëren wordt in het volgende deel van dit literatuurhoofdstuk de participatieladder van Edelenbos en Monnikhof (2001) besproken en de vormen van burgerparticipatie in de opsporing door Cornelissens en Ferwerda (2010). 2.3 Participatieladder De participatie van burgers in een beleidsproces kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Sherry Arnstein (1969) ziet participatie als een vorm van het uiten van invloed en macht en ontwerpt hiervoor een participatieladder met acht niveaus (De Graaf, 2007, p. 18). De participatieladder van Arnstein is in veel gevallen het vertrekpunt geweest voor de ontwikkeling van alternatieve participatieladders, zoals die van Edelenbos en Monnikhof (2001). De participatieladder van Edelenbos en Monnikhof (2001) laat zien dat interactief beleid uit verschillende vormen bestaat; informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen. Hoe hoger op de participatieladder, hoe meer inbreng en invloed burgers kunnen uitoefenen op het beleidsproces. Bij de eerste vorm informeren, waar er het minst sprake is van participatie, bepaalt de beleidsmaker of uitvoerende organisatie in hoge mate de agenda en uitvoering (Edelenbos & Monnikhof, 2001, p. 242-243). De relatie tussen beide partijen is hierbij eenzijdig van aard en er is nauwelijks sprake van participatie van burgers. De tweede vorm, raadplegen worden belanghebbenden als gesprekspartner bij de ontwikkeling van ideeën en processen betrokken. De beleidsmakers zijn bij raadplegen niet verplicht om de input van belanghebbende als aanvulling op hun eigen strategie te gebruiken. Bij de derde vorm, adviseren, is de waarde van de input van belanghebbende gelijk aan de organisatie. De beleidsmakers verbinden zich aan de ontwikkelde ideeën, maar kunnen hier tijdens de besluitvorming nog van afwijken (Edelenbos & Monnikhof, 2001, p. 242-243). Bij de vierde vorm, coproduceren, werken bestuur en actoren samen op basis van gelijkwaardigheid. Oplossingen worden samen gecreëerd en uiteindelijk gebruikt in de besluitvorming. Het bestuur wordt gezien als een partner onder de partners. Actoren zijn verantwoording verschuldigd aan de organisatie die zij vertegenwoordigen en hebben een relatief grote invloed in het beleidsproces (De Graaf, 2007, p. 21). De hoogste vorm van participatie is meebeslissen. De organisatie laat hierbij de besluitvorming en het ontwikkelen van ideeën over aan de belanghebbenden, waarbij de organisatie een adviserende rol speelt (Edelenbos & Monnikhof, 2001, p. 242-243). In wetenschappelijke literatuur over burgerparticipatie in de opsporing wordt meebeslissen vergeleken met politieparticipatie, waarbij burgers leidend zijn in een opsporingsonderzoek en de politie participeert onder leiding van de burgers (De Vries & Smilda, 2014, p. 34). Het uitgangspunt van politieparticipatie is dat de politie wordt gezien als één van de partijen in misdaadbestrijding in plaats van monopoliehouder (Huisman et al., 2014, p. 27). Er ontstaat volgens Kerstholt en de Vries (2018, p. 19) een verschuiving van burgerparticipatie naar politieparticipatie, waar de organisatie van een top-down sturing verandert in een organisatie die initiatieven van burgers omarmt en faciliteert. De participatieladder is een oplopende schaal, dus het niveau coproduceren bevat ook adviseren, raadplegen en informeren (De Graaf, 2007, p. 26). De participatieladder van Edelenbos en Monnikhof (2001) is gericht op de participatie van burgers in beleidsvorming, maar wordt veelvuldig gebruikt in onderzoeken over burgerparticipatie in de opsporing (Van Der Hoeven, 2018; Kop, 2016; Duijf, 2018). Ook in dit onderzoek zal de participatieladder van Edelenbos en Monnikhof (2001) een onderscheid maken tussen de verschillende vormen van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek. 2.4 Burgerparticipatie in de opsporing Een andere manier om inzicht te krijgen in de verschillende vormen zijn de vier categorieën van burgerparticipatie beschreven in het onderzoek van Cornelissens en Ferwerda (2010). Het doel van de verschillende vormen is gelijk, namelijk de burger een bijdrage laten leveren in de opsporing. De eerste vorm die wordt beschreven is getuigenoproep op heterdaad. Burgers worden hierbij ingezet om de pakkans bij heterdaadsituaties te verhogen door als ‘ogen en oren’ te functioneren. Voorbeelden zijn Burgernet, sms-alert, Twitter en Amber-alert. Bij getuigenoproep op heterdaad is in de meeste gevallen sprake van eenrichtingsverkeer vanuit de politie (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 61-67). De tweede vorm is getuigenoproep buiten heterdaad, waarin instrumenten worden ingezet door de politie om burgers een bijdrage te laten leveren als getuigen in lopende onderzoeken (Van Der Hoeven, 2011, p. 37). Instrumenten die ingezet kunnen worden zijn bijvoorbeeld het gebruik maken van billboards, flyers en posters, waar burgers gevraagd naar informatie over een specifiek incident (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 69). Een ander instrument is het gebruik van websites waarop gezochte veroordeelden of overvallers worden geplaatst. De politie mag hier onder strikte voorwaarden foto’s en namen van gezochte personen op een regionale of landelijke Afbeelding 1: Participatieladder (Edelenbos &Monnikhof, 2010) Afbeelding 2: Politieparticipatie (De Vries & Smilda, 2014)
  7. 7. 8 website plaatsen (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 76). Ook mag filmmateriaal van strafbare feiten met het publiek delen via Youtube of websites van de politie (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 82). De derde vorm beschreven door Cornelissens en Ferwerda (2010) is oproepen van (beeld)materiaal van delicten. Hierbij vraagt de politie aan burgers om foto’s, geluidsopnames of videomateriaal op te sturen. De vierde vorm van burgerparticipatie in de opsporing is burgers inzetten bij opsporingsactiviteiten. Het gaat hierbij over de inzet van burgers bij concrete opsporingsactiviteiten, zoals het aandragen van suggesties, meedenken bij lopende onderzoeken en het verlenen van medewerking aan bijzondere opsporingsmethoden. In andere woorden worden burgers ingezet voor het uitvoeren van politiewerk binnen de opsporing (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 101). In het onderzoek wordt verwezen naar twee websites, waar delen van politieonderzoeken online worden gepost zodat burgers een bijdrage kunnen leveren. Het is daarbij belangrijk om te bedenken of een zaak geschikt is om geplaatst te worden en hoeveel informatie er gedeeld mag worden met het publiek (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 108). De website waar de politie tegenwoordig gebruik van maakt is https://www.politie.nl/gezocht-en-vermist. Op de site worden burgers opgeroepen om misdrijven op te lossen en vermiste personen terug te vinden. 2.5 Dilemma’s burgerparticipatie Vanuit wetenschappelijke literatuur wordt de nadruk gelegd op het beter benutten van burgerparticipatie in de opsporing (Van Der Hoeven, 2011; Kop, 2016; Knapen, 2017). Hierbij wordt gewezen op het betrekken van burgers op een hoger niveau van de participatieladder, zoals co-creatie (Kop, 2016). Het betrekken van burgers kan volgens wetenschappers verschillende voor- en nadelen als gevolg hebben. Allereerst, wordt de wisdom of thecrowds- theorie van Surowiecki (2004) genoemd. In de theorie wordt verondersteld dat een grote groep mensen over meer wijsheid beschikt dan een kleine groep individuen. Een menigte kan onder de juiste omstandigheden dichterbij de waarheid zitten dan een individu of zelfs een expert. Surowiecki (2004) stelt dat een kleine groep individuen verkeerde keuzes kan maken, omdat er sprake is van kuddegedrag. Surowiecki stelt: ‘De slimste groepen bestaan uit mensen met een divers perspectief, die onafhankelijk zijn van elkaar’ (Surowiecki, 2004, p. 41). In verschillende onderzoeken naar burgerparticipatie in de opsporing wordt ook de kennis en kunde van burgers genoemd als een meerwaarde voor een opsporingsonderzoek (Kop, 2016; Duijf, 2018, p. 45). Daarentegen, wordt het ontbreken van kennis over een opsporingsonderzoek gezien als een nadelig gevolg van burgerparticipatie. De burger is, in tegenstelling tot de politie, bij het verzamelen van informatie namelijk nauwelijks gebonden aan wet -en regelgeving. Bovendien heerst er onduidelijkheid over de wet- en regelgeving rondom het doen van onderzoek door burgers (Buruma, 2008). In figuur 3 hiernaast is een relevante wet -en regelgeving over het vergaren van informatie weergeven. Online kan iemand namelijk veel informatie verzamelen over een persoon, maar je hebt niet zomaar de bevoegdheid om over iemand informatie te vergaren. De grens wordt bepaalt door artikel 8 EVRM en artikel 3 Politiewet en artikel 126j BOB-wetgeving bepaalt hoe ver de politie mag gaan (Stol, 2018). Als gevolg van ongebondenheid van burgers met de wet -en regelgeving kan de privacy van een verdachte in het geding komen. Burgers kunnen door technologische ontwikkelingen privacygevoelige informatie snel verspreiden (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 26). Door de openbaarmaking van informatie over (potentiële) verdachten door de overheid kan ‘naming and shaming’ ontstaan. Hierbij wordt geprobeerd om de identiteit van een verdachte te achterhalen door foto’s of beeldmateriaal te verspreiden. De openbaarmaking van die informatie kan leiden tot bedreigingen en aantijgingen via sociale media, in andere woorden de digitale schandpaal (Winthagen, 2014, p. 28). Een voorbeeld van naming and shaming is de klopjacht naar de ‘kopschoppers’, een groep jongeren die een man in Eindhoven begin januari 2013 ernstig mishandelen. De man werd net zolang geschopt en geslagen tot hij roerloos op de grond bleef liggen. Beelden van de mishandeling werden op de regionale televisiezender uitgezonden en werden verspreid door burgers via Facebook en Twitter. In een kort tijdsbestek waren alle verdachten bij de politie bekend en werden zij direct aangehouden (Winthagen, 2014). Figuur 3: Wet –en regelgeving (Stol, 2018) Figuur 1: Wet -en regelgeving (Stol, 2018)
  8. 8. 9 Uiteindelijk kregen de ‘kopschoppers’ strafvermindering, omdat hun privacy was geschaad (Kerstholt & De Vries, 2018, p. 18). Als burgers informatie verzamelen op een manier die in strijd is met de wet -en regelgeving is het de vraag of de politie hier een bijdrage aan heeft geleverd en kan de politie op de vingers worden getikt (Buruma, 2008). Tot slot, zorgt burgerparticipatie voor een toename van ‘oren en ogen’, waardoor meer informatie beschikbaar is voor een opsporingsonderzoek (Duijf, 2018, p. 45; Van Der Hoeven, 2011, p. 89). De informatie aangeleverd door burgers kan relevant zijn voor een opsporingsonderzoek en uiteindelijk voor successen zorgen (Duijf, 2018). In sommige situaties kan die informatie ervoor zorgen dat een opsporingsonderzoek kan worden opgelost. Een voorbeeld is een overval in een tankstation in Weert, waar een Youtube filmpje van gepost werd door de eigenaar. De man die de overval pleegde werd snel geïdentificeerd door een burger. De informatie werd met de politie gedeeld en dit leidde tot verschillende tips van andere burgers. Hierdoor kon de overvaller binnen 48 uur worden aangehouden. (Duijf, 2018, p. 26- 28). Ook volgens projectleider Burgernet, een telefonisch netwerk dat burgers inschakelt bij zoekacties, zijn burgers essentieel in het oplossen van misdrijven en het vergroten van de openbare orde en veiligheid (Bekkers & Meijer, 2010, p. 133) Echter, kan het delen van belangrijke informatie het opsporingsonderzoek schaden, omdat de informatie bij de dader terechtkomt. De politie spreekt hier ook wel over het voorkomen van ‘daderwetenschap.’ Doordat de dader op de hoogte is van bepaalde informatie kan diegene sporen wissen of ervoor kiezen om naar het buitenland te vluchten (Bekkers & Meijer, 2010, p. 149). Daarnaast, kost het verzamelen van informatie en het kanaliseren van reacties tijd, personeel en geld. De politie komt voor een uitdaging te staan om de informatie te filteren en te classificeren (Snel & Tops, 2011, p. 52). Het betrekken van burgers in een opsporingsonderzoek zorgt dus voor verschillende dilemma’s, die in wetenschappelijke onderzoeken naar voren komen. 2.6 Informatie delen In wetenschappelijke literatuur over de samenwerking tussen burger en politie komen twee belangrijke concepten naar voren; informatie delen en vertrouwen. Eerder, in het inleidend hoofdstuk is gebleken dat de politie terughoudend is met het delen van informatie met burgers. Volgens Bekkers en Meijer (2010) zorgen juridische barrières ervoor dat informatie niet gedeeld mag worden. Uit het onderzoek blijkt dat een beperkte openheid ervoor zorgt dat burgers niet optimaal kunnen bijdragen aan een opsporingsonderzoek. In het onderzoek van Van Der Hoeven (2011, p. 89) naar het versterken van de effectiviteit van de opsporing door burgerparticipatie wordt eenzelfde punt aangehaald. De burger wil weten welke informatie de politie heeft en welke bijdrage zij daaraan kunnen leveren. Hierbij ontstaat een spanningsveld, omdat de politie niet alle informatie kan delen door tactische overwegingen. Door een goede communicatie vanuit de politie naar de burger kan dit probleem worden beperkt (Van Der Hoeven, 2011, p. 89). Uit het onderzoek van Lam & Kop (2020a) blijkt dat het delen van informatie een belangrijk onderdeel is van de samenwerking tussen burger en politie. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen informatie over het proces en inhoudelijke informatie. Het delen van informatie over het proces, zoals welke keuzes gemaakt zijn en welke specialismen daarbij betrokken worden, kan makkelijker gedeeld worden. Transparantie over het proces zorgt volgens betrokkenen voor een positief effect op de relatie met burgers (Lam & Kop, 2020a). Verder speelt response-efficiency een rol bij het delen van informatie tussen burgers en de politie. Response-efficiency gaat over het geloof van een burger dat een actie zorgt voor het oplossen van het probleem. Een burger zal eerder in actie komen bij een hoge response- efficiency. Een voorbeeld is te zien bij de aangifte van cybercrime, waar de verwachting van de burger is dat een actie niet voor een oplossing zorgt door het gebrek aan cyberkennis en de lage pakkans van een cybercrimineel. Door feedback te geven over de bijdrage van de activiteiten van burgers wordt de response-efficiency versterkt (Kerstholt & De Vries, 2018, p. 17). Vertrouwen speelt een rol bij het delen van informatie tussen burger en politie. Uit het onderzoek van Van Calster en Schuildenburg (2009) naar Burgernet, waar de politie burgers inzet om te helpen zoeken naar verdachte situaties of informatie, blijkt dat wantrouwen en onzekerheid ervoor zorgt dat er geen informatie meer wordt uitgewisseld tussen beide partijen. 2.7 Vertrouwen In samenwerking tussen professionals is vertrouwen een belangrijke component. Vertrouwen kan volgens Klijn, Steijn en Edelenbos (2010) gedefinieerd worden als de bereidbaarheid van de andere partij om zich open en kwetsbaar op te stellen. Hierbij heeft de ene partij geen mogelijkheid om de andere partij in de gaten te houden of te controleren (Mayer, Davis & Schoorman, 1995). Vertrouwen heeft een positieve invloed op het samenwerkingsproces, omdat medewerkers een kleinere bedreiging van hun positie ervaren en er meer informatie wordt gedeeld (Datema, 2015). Verschillende onderzoeken wijzen op het belang van vertrouwen tussen burgers en de politie (Lam & Kop, 2020a; Van Der Hoeven, 2011; Beunders et al., 2011). Het betrekken van burgers vraagt om zowel vertrouwen van burgers in de politie als vertrouwen van de politie in de burger (Kerstholt & de Vries, 2018). Allereerst, wijst onderzoek over burgerparticipatie in het veiligheidsdomein uit dat burgerparticipatie vertrouwen kan creëren. Het regelmatige contact en de goede ervaringen door burgerparticipatie zorgen dat het vertrouwen van burgers in de politie toeneemt. Vertrouwen zorgt voor een hogere meldingsbereidheid van burgers en het eerder accepteren van politieoptreden (Van Der Land, Van Stokkom & Boutellier, 2014). In wetenschappelijke literatuur is te zien dat de link tussen de opsporing en burger verandert. De burger wordt steeds meer betrokken bij veiligheidsvraagstukken door het besef dat de politie problemen niet alleen kan oplossen (Garland, 2002; Shearing, 2006). De meerwaarde van burgers in een opsporingsonderzoek wordt erkend, maar hierbij wordt ook gewezen op de knelpunten bij het betrekken van burgers (Lam & Kop, 2020a; Van Der Hoeven, 2011; Beunders et al., 2011; Van Der Land, Van Stokkom & Boutellier, 2014; Bekkers & Meijers, 2010). Op basis van de inzichten uit het theoretisch kader zijn verschillende thema’s opgenomen tijdens het verzamelen van data. De wetenschappelijk literatuur kan hierdoor worden vergeleken met de ervaringen in de praktijk. In het volgende hoofdstuk zal allereerst de methodologie van het verzamelen van data worden beschreven.
  9. 9. 10 3. Methoden In dit hoofdstuk zal de aanpak en uitvoering van het onderzoek beschreven worden. Ten eerste, zal toegelicht worden welke wetenschapsfilosofie is gehanteerd binnen het onderzoek. Vervolgens, zal de dataverzameling en -analyse beschreven worden. Tot slot, wordt aandacht besteed aan de manier van het waarborgen van de validiteit en betrouwbaarheid. 3.1 Wetenschapsfilosofie Voor dit onderzoek is een keuze gemaakt voor de interpretatieve benadering. Binnen deze benadering is aandacht voor het achterhalen van de betekenissen die mensen toekennen aan gebeurtenissen om zo hun sociale werkelijkheid te begrijpen (Boeije, 2014, p. 22). Aangezien in dit onderzoek de ervaringen van de deelnemers centraal staan is de interpretatieve benadering een voor de hand liggende keuze. Er zal vanuit het oogpunt van de deelnemers naar de situatie gekeken worden om de samenwerking te begrijpen. Het doel van dit onderzoek is niet om de waarheid of werkelijkheid in beeld te brengen, maar het gaat om de werkelijkheid van het individu. Deze werkelijkheid is voor elk individu anders en zij kunnen bepaalde gebeurtenissen anders ervaren (Van Thiel, 2007). Dit onderzoek zal deze verschillen en overeenkomsten in ervaringen achterhalen en de daarbij achterliggende oorzaken uiteenzetten. Hierbij is het onmogelijk om de leefwereld van de respondenten volledig ‘objectief’ te begrijpen en daarin zal mijn subjectiviteit een rol spelen gedurende het onderzoek. Om bewust om te gaan met deze subjectiviteit zijn een aantal maatregelen genomen, die worden beschreven in het laatste deel van dit methoden hoofdstuk. 3.2 Triangulatie Om antwoord te geven op de onderzoeksvraag is gebruik gemaakt van triangulatie. Het gebruik van meerdere vormen van dataverzameling zorgt ervoor dat er een completer beeld ontstaat van de leefwereld van de respondenten, omdat verschillende kanten van het onderwerp worden belicht (Boeije, 2014, p. 156). Voor de verzameling van data voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van interviews, observaties en documentanalyses. Semigestructureerde interviews De eerste vorm van dataverzameling zijn zeventien semigestructureerde interviews. Voordat de semigestructureerde interviews begonnen hebben er twee verkennende gesprekken plaatsgevonden met betrokkenen in de organisatie van de Hackathon. Vervolgens hebben er vijftien semigestructureerde interviews met deelnemers van de Hackathon FASTNL plaatsgevonden. De twee verkennende interviews zijn uiteindelijk gebruikt in de analyse, omdat de informatie uit die interviews relevant bleek om de hoofdvraag te beantwoorden. De semigestructureerde interviews hebben inzicht gecreëerd in de betekenisgeving en ervaringen van de deelnemers van de Hackathon. Deze methode sluit aan bij de hoofdvraag van dit onderzoek, omdat de hoofdvraag gericht is op de ervaringen en meningen van respondenten over de samenwerking tussen politie en burgers bij open bronnen onderzoek en het vormgeven van die samenwerking. Door relevante concepten uit de literatuur te gebruiken en ruimte te geven aan de respondenten om zelf met bepaalde inzichten te komen, is een beeld ontstaan over de ervaringen van de samenwerking. De respondenten zijn gekozen op basis van de organisatie waarin zij werken. Hierbij is nagedacht over een gevarieerde groep respondenten werkzaam bij de politie, publieke en private organisaties. 1Hoofdstuk 3 Methoden
  10. 10. 11 Uiteindelijk zijn de volgende respondenten geïnterviewd: 2 internetrechercheurs 1 generalist bij de politie (geeft OSINT-lessen) 1 digitale wijkagent 3 cybervrijwilligers bij de politie 1 respondent werkzaam bij een publieke organisatie 1 student journalistiek 1 respondent werkzaam bij een onafhankelijk onderzoeksbureau 5 respondenten werkzaam bij een private organisatie Voor de vijftien semigestructureerde interviews zijn de respondenten allereerst benaderd door een contactpersoon bij de Politieacademie. In een mail heeft deze contactpersoon de respondenten geïnformeerd over het bestaan van dit onderzoek. Vervolgens heb ik contact opgenomen met de respondenten via een mail om verdere informatie te delen en een afspraak te maken voor een interview. De zeventien semigestructureerde interviews zijn gestuurd door een topiclijst, waar de concepten vanuit relevante literatuur en de interviews werd besproken. In de introductie heb ik de toestemming van de respondenten gevraagd om het interview op te nemen, de duur van het interview (+/- 1 uur) en het doel van het onderzoek benoemd. De interviews zijn uiteindelijk anoniem verwerkt, zodat de privacy van de respondenten is gegarandeerd. Door het coronavirus was het niet mogelijk om de interviews in een fysieke vorm af te nemen. Om die reden hebben de interviews virtueel plaatsgevonden via Microsoft Teams of via een telefonisch gesprek. De keuze voor de vorm van het interview lag bij de respondent. Gedurende de interviews heb ik doorgevraagd naar details en voorbeelden om zo dieper op de betekenis van bepaalde concepten in te gaan. De getranscribeerde interviews zijn achteraf naar de respondenten verstuurd, zodat zij de mogelijkheid hebben gekregen om deze nogmaals door te nemen. Hierna is in sommige gevallen gevraagd naar een verdere uitleg over bepaalde antwoorden om zo te verifiëren of de antwoorden op de vragen op de juiste manier zijn geïnterpreteerd. Hackathon FASTNL De respondenten van de interviews zijn deelnemers van de Hackathon FASTNL georganiseerd door BlueMovement (BlueM) en FASTNL. BlueM is een beweging binnen de politie met als doel om vernieuwing te creëren binnen het politievak. In dit deel van het methodenhoofdstuk zal een korte beschrijving plaatsvinden over de activiteit Hackathon FASTNL. Op dinsdag 12 januari 2020 van 9:00 tot 21:00 vond de derde Hackathon plaats, georganiseerd op de Prinses Margrietkazerne in Wezep. Tijdens deze bijeenkomst komen 150 OSINT-specialisten bij elkaar om samen op voortvluchtigen te ‘jagen.’ Er wordt een onderverdeling van acht teams gemaakt met tien OSINT-specialisten werkzaam bij de politie, private en publieke organisaties. De deelnemers zijn onder andere werkzaam bij KPN, Heineken, Shell, Hogeschool van Amsterdam, het Openbaar Ministerie, Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst en het Centraal Juridisch Incassobureau (Walter, 2020). De gemixte teams gaan aan de slag met casussen van FAST-NL van de Landelijke Eenheid, dit is een politieteam dat zich richt op de zwaarste voorvluchtige criminelen. Het gaat hier om criminelen die een vrijheidsstraf uitzitten van minstens driehonderd dagen of ontsnapte gedetineerden en Tbs’ers (Willebrands, 2020). De OSINT-specialisten nemen tijdens de Hackathon 120 dossiers onder handen, die zijn klaargemaakt door FASTNL. Het gaat om dossiers over serieuze delicten, zoals gewapende overvallen, mensenhandel, vermogensdelicten en doodslag (Communicatie Amsterdam, 2020). Aan het einde van de middag komt concrete informatie naar voren over de locatie van een voortvluchtige in Eindhoven. Op een groot scherm kunnen de deelnemers live volgen hoe de man wordt aangehouden door het team van FASTNL. Uiteindelijk worden er in totaal vijf voortvluchtigen aangehouden als resultaat van de Hackathon. Daarnaast, ontstaan tientallen identificaties, die dienen als waardevolle informatie voor FASTNL (Walter, 2020). Observaties De tweede vorm van dataverzameling binnen dit onderzoek zijn twee observaties. De eerste observatie is de documentaire Bellingcat - Truth in a Post-Truth World. De documentaire gaat over het internationaal burger –en onderzoeksjournalistiek platform Bellingcat. Het platform Bellingcat richt zich in eerste instantie op andere onderwerpen dan de opsporing. In de documentaire gaat het namelijk over grote internationale zaken, zoals de MH17 ramp. De Nederlandse opsporing richt zich vaker op kleinschalige misdrijven. Desalniettemin, laat de documentaire stapsgewijs zien op welke manier open bronnen onderzoek kan worden gedaan. Hierdoor wordt meer inzicht gecreëerd in de manier waarop open bronnen onderzoek daadwerkelijk plaatsvindt. Bovendien, hebben verschillende respondenten tijdens de interviews de documentaire benoemt als relevant. De documentaire gaat over het doen van open bronnen onderzoek door burgers en sluit dus aan bij het onderwerp van dit onderzoek. De tweede observatie is van de serie Don’t F**k With Cats waar burgers een man proberen te identificeren die video’s plaatst op het internet waar hij katten vermoord. In de serie wordt uitgelegd op welke manier er bewijs wordt verzameld door de burgers, maar ook door de politie in een later stadium. Ook geeft de serie inzicht in de meerwaarde van burgers bij open bronnen onderzoek en de gevaren van burgerparticipatie. Documentanalyses De laatste manier waarop data is verzameld is door een documentanalyse van de evaluatie van de Hackathon FASTNL door Lam en Kop (2020b). Na de Hackathon kregen deelnemers een mail met daarin een link naar een vragenlijst. Uiteindelijk heeft 62% van de deelnemers de Afbeelding 3: Observaties onderzoek
  11. 11. 12 vragenlijst ingevuld. De vragenlijst bestaat uit 24 vragen met zes openvragen en 18 vragen met een 5-punts Likertschaal of meerkeuzeopties. In de evaluatie worden verschillende thema’s uitgelicht, zoals de waarde van het betrekken van burgers en publiek/private partijen, knelpunten tijdens de Hackathon en tips voor het organiseren van de volgende Hackathon. De evaluatie geeft een algemeen beeld van de ervaringen van de deelnemers over de Hackathon. Daarnaast, geeft de evaluatie een aantal aanbevelingen voor structurele samenwerkingsvormen op het gebied van OSINT-onderzoek. Een documentanalyse van de evaluatie is dus van meerwaarde, omdat het een beeld geeft van de ervaringen van een grotere groep dan de respondenten die tijdens dit onderzoek zijn geïnterviewd. Naast de evaluatie zijn ook de geheimhoudingsverklaring en het programma van de Hackathon FASTNL geanalyseerd. De geheimhoudingsverklaring geeft inzicht in de strikte voorwaarden waarin de Hackathon mocht plaatsvinden. Het programma van de Hackathon geeft een beeld van de planning van de dag. Hierdoor ontstaat een beter begrip van de momenten waar de respondenten over praten in de interviews. 3.3 Data-analyse Voor de data-analyse zijn de zeventien interviews getranscribeerd en zijn er verslagen gemaakt van de documentanalyse en observaties. Vervolgens, is deze data met het programma NVIVO gecodeerd. De data-analyse voor dit onderzoek heeft plaatsgevonden in twee fases. Allereerst, zijn in de eerste fase de eerste tien semigestructureerde interviews open gecodeerd. Het doel van de open coderen fase is om te achterhalen welke onderwerpen er tijdens de interviews aan bod zijn gekomen. In de open coderen fase zijn de labels aan tekstfragmenten gekoppeld. Een label is een korte omschrijving van wat er in een fragment wordt gezegd. Door open te coderen ontstaat meer begrip over de werkelijkheid van de respondenten, omdat hun uitspraken de basis vormen van je resultaten (Saldana, 2013). Vervolgens zijn de verschillende labels samengebracht onder een thema. Hierdoor worden de ervaringen van individuen samengevoegd in een overkoepelend thema om zo een gestructureerd beeld te krijgen van de data. Aan de hand van de thema’s in de eerste fase is een codeboom geconstrueerd. Tijdens het vormen van de codeboom zijn thema’s samengevoegd, verdwenen of ontstaan. De tweede fase is het selectief coderen van de interviews, observaties en documentanalyses. Alle data is opnieuw gecodeerd aan de hand van de codeboom die in de eerste fase is gemaakt. Hierdoor wordt de belangrijkste informatie uit de data gehaald, wat de kwaliteit van de resultaten bevordert. Tijdens de tweede fase is de codeboom enigszins aangepast doordat de bijkomende data nieuwe relevante thema’s opleverde. 3.4 Validiteit en betrouwbaarheid Binnen kwalitatief onderzoek wordt de validiteit en betrouwbaarheid van een onderzoek anders gezien als in kwantitatief onderzoek. Een deel van de analyse speelt zich namelijk af in het hoofd van de onderzoeker. In kwalitatief onderzoek wordt om die reden gesproken van minder eenduidige begrippen, zoals overdraagbaarheid, navolgbaarheid van analyses en aannemelijkheid van conclusies (Van Thiel, 2007, p. 167). In de voorbereiding voor dit onderzoek zijn een aantal keuzes gemaakt om de validiteit en betrouwbaarheid van het onderzoek te beïnvloeden. Allereerst, is de betrouwbaarheid van het onderzoek verhoogd, omdat de interviews zijn opgenomen en getranscribeerd. Het resultatenhoofdstuk is dus gebaseerd op uitspraken die letterlijk zijn gemaakt door de respondenten. Het opnemen van de interviews heeft als negatief gevolg dat respondenten kunnen worden beïnvloed, omdat zij weten dat hun uitspraken worden opgenomen. Door de respondenten van tevoren in te lichten over het anoniem verwerken van de interviews is dit negatief effect ingeperkt. Daarnaast, is benoemd dat de transcripten naar de respondenten worden gemaild, zodat zij de mogelijkheid krijgen om delen van het gesprek te verwijderen. In kwalitatief onderzoek wordt dit aangeduid als member check (Bryman, 2012). Om de interne validiteit van het onderzoek te bevorderen is tijdens het onderzoek een dagboek bijgehouden mijn eigen gedachteproces zo gedetailleerd op te schrijven. Hierdoor kan er op belangrijke gebeurtenissen, gesprekken en externe invloeden worden gereflecteerd. Ook is binnen dit onderzoek gebruik gemaakt van triangulatie. Het gebruik van verschillende onderzoeksmethodiek zorgt ervoor dat het vraagstuk vanuit verschillende kanten kan worden bekeken (Boeije, 2014, p. 156). Doordat in dit onderzoek gebruik is gemaakt van interviews, observaties en documentanalyses kan de informatie van de interviews in perspectief worden gebracht. De evaluatie van Hackathon FASTNL zou bijvoorbeeld tegenstrijdige of bevestigende informatie kunnen geven in vergelijking met de interviews. De uiteenlopende onderzoeksmethodieken hebben dus de mogelijkheid gegeven om verschillende perspectieven te belichten. Tot slot, hebben er regelmatig gesprekken met studiegenoten en zowel mijn contactpersoon bij de politie als mijn begeleider van de Universiteit Utrecht plaatsgevonden. Door samen met hen te reflecteren op het onderzoeksproces en de bevindingen ontstaat bewustwording op de invloed van mijn eigen bias op het onderzoek.
  12. 12. 13 4. Resultaten In dit hoofdstuk wordt uitgezocht hoe OSINT-specialisten denken over de manier waarop burgers betrokken kunnen worden in een open bronnen onderzoek. Daarvoor wordt in het eerste deel een beschrijving gegeven van de veelvoorkomende vormen van burgerparticipatie in open bronnen onderzoek benoemt door de respondenten. Vervolgens, wordt de meerwaarde van burgers bij een open bronnen onderzoek vanuit het perspectief van de respondenten beschreven. Daaropvolgend, noemen respondenten de knelpunten van het betrekken van burgers, die inzicht geven in de negatieve kanten van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek. Tot slot, is er aandacht voor twee belangrijke aspecten benoemt door de respondenten, namelijk informatie delen en vertrouwen. Op basis van deze resultaten worden er in de conclusie aanbevelingen gedaan over het vormgeven van burgerparticipatie in open bronnen onderzoek. 4.1 Burgerparticipatie in open bronnen onderzoek De politie is op verschillende manieren aan het experimenteren met het betrekken van burgers in open bronnen onderzoek. Het betrekken van burgers wordt door de respondenten gezien als een zoektocht naar een manier om met burgers samen te werken. Een respondent zegt: ‘Iedereen roept het wel dat je het moet gaan doen die burgerparticipatie, ja maar hoe dan?’ (R17, Politie) Om burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek te concretiseren zijn hieronder allereerst vier samenwerkingsvormen uitgewerkt, die de respondenten tijdens de interviews hebben benoemd. De voorbeelden zijn gestructureerd door de mate van burgerparticipatie van laag naar hoog. De samenwerkingsvormen worden hieronder toegelicht door middel van de volgende voorbeelden: Opsporing Verzocht +, Digitaal OSINT Platform, Hackathon en cybervrijwilligers. Opsporing Verzocht + Een laagdrempelige manier voor burgers om te participeren in open bronnen onderzoek is door tips te versturen van criminele activiteiten op het internet. Een digitale wijkagent zegt: ‘Als een burger zegt je moet naar Jantje gaan kijken, want ik heb dit en dit online gezien. Dan moeten we dat altijd checken, maar het kan ons wel een richting geven.’ (R13, Politie) In het programma Opsporing Verzocht kan het publiek worden ingeschakeld om na te denken over bepaalde zaken en tips te versturen. De huidige Opsporing Verzocht is volgens respondenten vooral gericht op lokale incidenten, waar op zoek wordt gegaan naar bijvoorbeeld ooggetuigen. Een aantal respondenten komt met het idee om Opsporing Verzocht uit te breiden naar Opsporing Verzocht + waardoor burgers ook op het internet op zoek kunnen naar sporen. Het huidige programma is volgens een respondent niet geschikt, omdat televisie een tijdelijk karakter heeft en hierdoor beperkt is voor onlineonderzoek (R9, Burger). Ook een andere respondent benoemt dat televisie niet het juiste kanaal is, omdat de jongere generatie geen televisiekijkt. Om hen te betrekken zal Opsporing Verzocht + via een social media-kanaal kunnen gaan zoals Instagram of Snapchat (R1, Burger). Daarnaast, noemt een respondent dat bij het huidige programma gebeld moet worden en dat is bij digitaal bewijs niet handig (R2, Burger). Burgers kunnen dus op een laagdrempelige manier bijdragen aan een open bronnen onderzoek door tips te sturen, die richting kunnen geven voor de opsporing. Opsporing Verzocht + wordt door de respondenten benoemt als een manier om het sturen van digitale tips te stimuleren. Digitaal OSINT-platform Een andere manier om te participeren aan een open bronnen onderzoek is een Digitaal OSINT platform. Het doel van zo’n platform is het activeren van burgers, die ervaring hebben met het 1Hoofdstuk 4 Resultaten
  13. 13. 14 doen van OSINT-onderzoek, om bewijsmateriaal via openbare bronnen te verzamelen. Het digitale OSINT-platform gaat een stapje verder dan Opsporing Verzocht +, omdat burgers worden gestimuleerd om actief op het internet te gaan speuren naar informatie. In de evaluatie van Lam en Kop (2020b) wordt benoemd dat de politie meer gebruik kan maken van huidige digitale platforms, zoals Tweakers. Een aantal respondenten uit dit onderzoek benoemen dat de politie een Digitaal OSINT Platform moet ontwikkelen. Ze noemen dit platform ook wel een community of een marktplaats. Een instantie die door de respondenten als voorbeeld wordt genoemd is Europol, het EU-agentschap voor rechtshandhaving. Europol helpt EU-landen zware internationale terrorisme en criminaliteit te bestrijden. Op de site van Europol kunnen burgers foto’s van kleding van kinderen, die slachtoffer van kindermisbruik zijn, bekijken en tips doorsturen. Een respondent zegt hierover: ‘Europol doet het heel veel, die doen het met kindermisbruik. Zij plaatsen foto’s van kleding van kindjes en locaties, die worden eigenlijk altijd op internet gedeeld.’ (R1, Burger) In afbeelding 4 is te zien wat de respondent bedoelt. Meerdere respondenten benoemen dat de politie een soortgelijk platform zou kunnen opzetten om burgers te betrekken in een open bronnen onderzoek. Op dit platform kunnen vooral praktische vragen gesteld worden over het herkennen van bijvoorbeeld kledingstukken (R1, Burger). Daarnaast, kan een platform volgens een internetrechercheur sturing geven aan een onderzoek, omdat een burger de rechercheur kan inlichten over bepaalde internetsites of forums die van meerwaarde zijn voor het onderzoek. ‘We zijn op zoek naar een bepaalde informatie over een bepaald onderwerp, dat er mensen zijn van heb je weleens gekeken op die en die website of er fora openstaat. Toevallig heeft Bulgarije een heel groot forum over dat onderwerp.’ (R8, Politie) Hackathon De derde vorm om burgers te betrekken bij open bronnen onderzoek is het organiseren van een Hackathon. Tijdens een Hackathon komen verschillende OSINT-specialisten, werkzaam bij politie, publieke en private partijen fysiek, samen om door middel van OSINT een bijdrage te leveren aan opsporingszaken. De drempel om deel te nemen aan deze vorm van burgerparticipatie is hoger, omdat deelnemers worden geselecteerd. Een Hackathon is een hogere vorm van burgerparticipatie, omdat er sprake is van een gelijkwaardige relatie tussen de deelnemers. Bij Opsporing Verzocht + en het digitaal OSINT-platform is eerder sprake van een eenzijdige relatie, waar de politie een hoge mate van regie behoud. Op een Hackathon wordt meer informatie gedeeld met burgers dan normaal gesproken het geval is. De reden hiervoor is dat er onder bepaalde voorwaarden met elkaar wordt samengewerkt. Zo moeten de deelnemers een geheimhoudingsverklaring tekenen voor zij mogen participeren aan het evenement. Uit de evaluatie blijkt dat deelnemers van mening zijn dat Hackathons georganiseerd moeten blijven in de toekomst (Lam & Kop, 2020b). Over het algemeen hebben de meeste respondenten de Hackathon FASTNL als positief ervaren. ‘Ik hoop wel dat we de Hackathon dagen kunnen blijven doen, want het geeft super veel energie.’ (R15, Cybervrijwilliger) ‘Ik vond het heel erg leuk. Ik denk dat het een hele goede activiteit is. Voor mij gaf het echt wel voldoening.’ (R5, Burger) Redenen die respondenten noemen voor het succes van de Hackathon FASTNL zijn een goede organisatie, netwerk uitbreiden, van elkaar leren en een goede sfeer. Ook hebben de respondenten tips over de netwerkverbinding, teamindeling en het creëren van een veilige zoekomgeving. Een respondent ziet ook kansen in het vormgeven van een structurele samenwerking in de vorm van een Hackathon: ‘Bijvoorbeeld wat we nu hebben gedaan met die Hackathon. Waarom doe je dat niet online?’ (R5, Burger) Cybervrijwilligers Een manier waarop de FASTNL Hackathon op een structurele manier plaatsvindt is door een project waar een team cybervrijwilligers aan de hand van OSINT helpt bij het opsporen van voortvluchtigen (R6, Cybervrijwilliger). Cybervrijwilligers zijn ICT-specialisten die als vrijwilliger werken bij de politie. Een respondent beschrijft een cybervrijwilliger op de volgende manier: ‘Het is een soort extreme vorm van burgerparticipatie, maar die is overgebogen naar de politieorganisatie.’ (R8, Politie) Tijdens het onderzoek zijn drie cybervrijwilligers geïnterviewd die in het projectteam FASTNL zitten. Een cybervrijwilliger benoemt dat het project succesvol is, omdat voortvluchtigen vaak hun leven ergens anders oppakken en dan sporen op het internet achterlaten (R7, Cybervrijwilliger). Een andere cybervrijwilliger benoemt flexibiliteit als een belangrijk punt voor het succes: ‘Wat ik leuk vind is dat je dit kan doen wanneer je tijd over hebt 's avonds of in het weekend.’ (R6, Cybervrijwilliger) De laatste vorm van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek kan dus gezien worden als de hoogste vorm van burgerparticipatie, omdat cybervrijwilligers worden opgenomen in de politieorganisatie. Twee cybervrijwilligers benoemen dat het concept van cybervrijwilligers breder kan worden opgepakt: ‘Elke eenheid zoals in Amsterdam die zou ook best wel zoiets Afbeelding 4: Foto’s van kledingstukken kinderen (Europol, 2020)
  14. 14. 15 [cybervrijwilligers] willen. Ik denk dat daar wat te winnen is, dat het breder binnen de politie wordt opgepakt.’ (R6, Cybervrijwilliger) Respondenten benoemen dus verschillende manieren om burgerparticipatie vorm te geven. De verschillende vormen zijn gestructureerd van een lage naar hoge participatie van burgers op basis van de uitspraken van respondenten. Hierin zien zij kansen om burgers meer te betrekken bij open bronnen onderzoek. Het achterliggende motief van het meer willen betrekken van burgers, is te vinden in het idee van respondenten dat burgers een meerwaarde hebben binnen een opsporingsonderzoek. 4.2 Meerwaarde burgerparticipatie Uit de interviews blijkt dat alle respondenten van mening zijn dat burgers kunnen bijdragen aan een open bronnen onderzoek. Er wordt op vergelijkbare manieren antwoord gegeven op de vraag: ‘Wat kunnen burgers bijdragen aan een open bronnen onderzoek?’ ‘Heel veel, meer dan ze denken.’ (R7, Burger) ‘Burgers kunnen enorm veel bijdragen.’ (R13, Politie) De manier waarop de meerwaarde van burgers tot uiting komt is opgesplitst in de volgende aspecten: specifieke kennis, andere aanpak en andere inkijk. Specifieke kennis Allereerst, kunnen burgers bijdragen door de specifieke kennis, die ze bezitten. De respondenten noemen verschillende voorbeelden van specifieke kennis, zoals kennis over auto’s, een geloofsgemeenschap, beheersystemen of drones. Doordat een burger specifieke kennis heeft over bepaalde onderwerpen kan er inzicht verkregen worden binnen een open bronnen onderzoek. In figuur 2 hiernaast zijn de verschillende uitspraken van respondenten over de specifieke kennis weergeven. De specifieke kennis kan dus bestaan uit uiteenlopende onderwerpen, die samenhangen met het onderwerp van het opsporingsonderzoek. Naast de meerwaarde van burgers door specifieke kennis hebben burgers een andere aanpak. Gamen ‘Ik heb ook een vriend die heel veel van gamen af weet en in de interne code wereld zit. Hij zou heel goed onderzoek kunnen doen in de gamingswereld, hoe mensen met elkaar communiceren.’ (R15, Cybervrijwilliger) Vliegtuigen ‘If you have worked with airplanes before you might notice something in the picture that gives you an extra hint or an extra thing.’ (R11, Burger) Scooters ‘Neem bijvoorbeeld een onderzoek naar een scooter, niet elke politieagent weet iets van scooters af, maar je hebt genoeg hobbyisten, die alles weten over het merk, over de koplamp, noem maar op. Ik denk dat dat een hele waardevolle toevoeging kan zijn voor een onderzoek.’ (R9, Burger) Geolocating ‘Een deelnemer van de Hackathon kon op basis van een foto bij wijze van spreken achterhalen waar jouw voordeur staat, door alleen maar te kijken naar de soort steentjes in jouw huis.’(R13, Politie) Fotografie ‘Ik heb ergens rond mijn veertigste de fotovakschool gedaan, uit de hand gelopen hobby. Ik kan ook makkelijk foto's net even aanpassen of verscherpen om te kijken of je dat dan wel weer kan vinden.’ (R7, Cybervrijwilliger) Specifieke kennis Figuur 2: Specifieke kennis
  15. 15. 16 Andere aanpak Binnen OSINT is er geen eenduidige aanpak om onderzoek te doen. Elk individu heeft zijn eigen manier om informatie te verzamelen. Het is daarom van belang dat professionals in dit vakgebied met elkaar samenwerken, om inzicht te krijgen in de aanpak van een ander. Een cybervrijwilliger zegt hier het volgende over: ‘Iedereen heeft natuurlijk ook zijn eigen manier van gegevens verzamelen. (…) Je kunt elkaar ook goed aanvullen met de verschillende tactieken.’ (R15, Cybervrijwilliger) Aanvullend stellen respondenten dat burgers een andere aanpak hebben dan de opsporing. Een respondent benoemt een voorbeeld, waarin de respondent heeft meegeholpen bij het verwerven van informatie op het internet voor een onderzoek van de opsporing. ‘Wij gingen een paar dingen delen. Toen zeiden ze oh dit hebben wij helemaal niet gezien en huh zoeken jullie dat op die manier? Toen dachten wij dat is toch logisch.’ (R9, Burger) De werkwijzen van burgers en de opsporing kunnen overlappen, maar kunnen ook verschillend zijn. Een aspect waar het verschil van werkwijzen tussen burger en politie duidelijk naar voren komt, is het gebruik van tools. Een respondent is van mening dat de meerwaarde van burgers is dat zij bepaalde tools bezitten, waar de politie niet mee wil en kan werken. De tool waar de respondent vaak gebruik van maakt is pipl.com, een systeem waar profielen op sociale media, telefoonnummers en andere informatie van een specifiek persoon wordt gebundeld (R1, Burger). Pipl.com is een voorbeeld van de vele tools die er beschikbaar zijn om een weg te vinden in de enorme berg van informatie op het internet. Tools spelen binnen het open bronnen onderzoek een belangrijke rol, omdat hierdoor op een snelle en effectieve manier informatie kan worden vergaard. Een internetrechercheur benadrukt het belang ervan op de volgende manier: ‘Het zou eigenlijk ?? zijn, de politie moet op straat lopen met een wapenstok, maar we hebben geen geld voor een echte, dus zoek maar een stok op straat of in de bossen ergens en dan gebruik je dat maar. Dan kijken we wel of we later aan een wapenstok kunnen komen. Dat zijn bepaalde tools die je nodig hebt, dat is op straat goed geregeld, online is dat dus niet zo.’ (R8, Politie) In de bovenstaande uitspraak is een kritische houding over het regelen van spullen door de politie voelbaar. Andere respondenten werkzaam bij de politie bevestigen het moeizame proces van het regelen van spullen. Een andere respondent geeft aan dat het binnen een grote organisatie als de politie lang kan duren voordat spullen, zoals tools, zijn aangeschaft door het stroperige proces van goedkeuren (R1, Cybervrijwilliger). De leidinggevenden bij de politie spelen een belangrijke rol bij de aanschaf van tools ‘Dat resulteert erin dat een enkeling binnen het land misschien een tool heeft gekregen, omdat die chef een keer ja heeft gezegd en een paar honderd euro over had, maar het grootste deel van het land heeft het niet.’ (R8, Politie) Een andere reden die de respondent geeft voor het niet aanschaffen van tools is de wet-en regelgeving, omdat bepaalde tools in strijd zijn met de wetgeving waar internetrechercheurs zich aan moeten houden (R8, Politie). Door samen te werken met burgers krijgt de politie inzicht in de kracht van de tools, die de opsporing om financiële of organisationele redenen nog niet bezit (R14, Politie). Naast het verschil in het gebruik van bepaalde tools is het onduidelijk op welke andere manieren de werkwijzen verschillen of overeenkomen tussen burgers en de opsporing. Een reden hiervoor is dat er weinig zicht is op de technieken die door de andere partij wordt gebruikt (R2, Burger). Daarnaast, zijn gebruikte technieken vaak toegeschreven aan een individu in plaats van een specifieke groep. Tijd Een andere manier waarop burgers volgens een cybervrijwilliger kunnen bijdragen is dat zij de tijd hebben om urenlang te puzzelen op een internetspoor. Voor internetrechercheurs wordt dat lastiger, omdat zij keuzes moeten maken waar zij hun tijd aan besteden. Een voorbeeld die de respondent noemt speelt zich af tijdens de Hackathon FASTNL. De cybervrijwilliger vindt een krantenartikel op het internet in een andere taal en zegt: ‘Ik had vrij snel het gevoel, dit lijkt wel te gaan over een veroordeling. Toen zijn we via Google Translate het artikel gaan vertalen en kwamen we erachter dat de persoon die wij zochten in het buitenland vastzat’ (R7, Cybervrijwilliger). De reden dat de politie het artikel niet gevonden is volgens de respondent: ‘Ik denk dat wij meer tijd nemen om verder te zoeken, dus als het wat verder weg zit dan is de kans groot dat ze het bij het politieteam niet gevonden hebben. Dan deels door expertise en deels door tijd.’ (R7, Cybervrijwilliger) Een internetrechercheur is het hiermee eens en refereert naar de serie Don’t F**k With Cats. In deze serie zie je dat burgeronderzoekers ontzettend veel tijd besteden op het internet om de identiteit en locatie van een kattenmoordenaar te achterhalen aan de hand voorwerpen die in video’s te zien zijn (Observatie 2, 2020). De internetrechercheur zegt: ‘Die tijd die zij [burgeronderzoekers in de serie] daaraan besteden, die hebben wij niet.’ (R8, Politie) Andere inkijk Tot slot, benoemt een respondent dat burgers een andere inkijk geven op een onderzoek, omdat zij zich niet aan de geijkte wegen houden. Politiemensen hebben volgens de respondent een bepaalde manier van werken aangeleerd gekregen tijdens de opleiding, waar een burger van afwijkt. ‘Die [burger] heeft een hele andere inkijk, die heeft geen idee natuurlijk wat de onderzoeksmethoden nou zijn.’ (R4, Politie) Een andere respondent draagt een vergelijkbaar punt aan, maar benoemt dit als een vast stramien en een tunnelvisie. De respondent zegt: ‘Dan werk je volgens een vast stramien of je zit vast in een bepaalde werkwijze. Je weet precies wie je wel en niet kunt benaderen, wat je wel en niet mag doen, maar daardoor krijg je denk ik ook een soort tunnelvisie.’ (R9, Burger) Een digitale wijkagent is het ermee eens dat burgers op een andere manier naar zaken kijken en zegt: ‘Ik kan me wel zo voorstellen dat ze anders denken en doen, maar dat is ook logisch. Ik heb een politiebrein, ik ben zo opgevoed, ik ben zo opgeleid en hun niet.’ (R14, Politie) Wet –en regelgeving speelt volgens een internetrechercheur een belangrijke rol in de kijk die politiemensen hebben op een onderzoek. ‘De wetgeving is niet zwart of wit, burgers denken er heel anders over. Die gaan niet gelijk dat wetboek erbij pakken en kijken van oh ja wat is dat.’ (R12, Politie) Doordat burgers met een andere inkijk een open bronnen onderzoek benaderen kan dit dus zorgen voor andere inzichten, wat door de respondenten naast de specifieke kennis, andere aanpak en tijd, wordt gezien als een positieve toevoeging voor een open bronnen onderzoek. Echter, uitten de respondenten ook de negatieve kant van deze onbegrensde kijk op een open
  16. 16. 17 bronnen onderzoek. Hier zal in het volgende deel van dit resultatenhoofdstuk verder op in worden gegaan. 4.3 Knelpunten burgerparticipatie Het betrekken van burgers kan negatieve gevolgen hebben. De knelpunten die worden genoemd door de respondenten zijn onderverdeeld in de volgende aspecten; identiteit onthullen, onderzoek stuk maken en infiltratie criminelen. Identiteit onthullen Alle respondenten noemen het gevaar van het onthullen van de identiteit van de onderzoeker op het internet. Onderzoek doen op het internet zorgt ervoor dat een persoon digitale sporen achterlaat, die kunnen worden herleid naar de identiteit van een onderzoeker. Een simpel voorbeeld van een digitaal spoor is LinkedIn, waar te zien is welke profielen jouw profiel hebben bekeken (R11, Burger). Ook een IP-adres kan de identiteit van een onderzoeker onthullen. Een burgerparticipant, die heeft samengewerkt met de politie, benoemt het volgende: ‘In het begin, dus voordat we instructies hadden gekregen deden we dat gewoon op onze eigen laptop op de schoolplekken waar we zaten. Toen kwamen we bij hen aan en toen zeiden we eigenlijk is dat niet veilig met onze IP-adressen.’ (R9, Burger) Een IP-adres is een unieke code die laptops identificeren op het internet. Door middel van een IP-adres kan, indien er geen veilige omgeving wordt gecreëerd, de locatie van een laptop worden getraceerd. Om anoniem in de massa op te gaan maken open bronnen onderzoekers gebruik van verschillende technieken. Meerdere respondenten noemen als voorbeeld het gebruik van aliassen, ook wel fakeaccounts. Hiermee kunnen onderzoekers met een andere niet bestaande identiteit veilig op het internet speuren. Een respondent noemt het belang van het in leven houden van deze fakeaccounts: ‘Ik heb mijn eigen leven, maar daarnaast heb ik nog vier levens en die vier levens dat zijn fakelevens, fake-accounts. (R4, Burger)’ Als burgers worden betrokken bij opsporingsonderzoeken en niet weten hoe ze zich moeten beschermen op het internet kan dit voor gevaarlijke situaties zorgen (R7, Cybervrijwillifer). Twee respondenten beschrijven de volgende gevaarlijke situaties: ‘Je moet dus wel goed zorgen dat de identiteit van de mensen die helpen afgeschermd blijft. Als je Ridouan Tachi gaat opsporen en hij komt erachter dat je dat doet, dan heb je een probleem.’ (R10, Burger) ‘Ze [criminelen] hebben er belang bij dat je je mond houdt en dat je juist niet gaat zoeken naar ze. Weet je hoe vervelend het is als ze voor je deur staan.’ (R4, Burger) Respondenten geven aan dat het per onderzoek verschilt in hoeverre de veiligheid van een onderzoeker in gevaar komt. Kleinere zaken waar een crimineel weinig ICT-kennis heeft, zoals cold cases of diefstal, brengen minder risico’s voor de veiligheid van een burger met zich mee (R9, Burger & R11, Burger). Een cybervrijwilliger zegt hierover: ‘Als je natuurlijk te maken krijgt met zware criminaliteit, dan moet je ook wel zorgen dat de burger zichzelf weet te beschermen (R7, Cybervrijwilliger).’ Als burgers betrokken worden bij een open bronnen onderzoek is het dus belangrijk om na te denken over in hoeverre zij bewust zijn van hun eigen veiligheid op het internet (R3, Burger). Als dit niet het geval is zal volgens een respondent bewustzijn moeten worden gecreëerd bij burgers (R7, Cybervrijwilliger). Onderzoek stuk maken Het onthullen van de identiteit van een onderzoeker kan er ook voor zorgen dat een onderzoek stuk wordt gemaakt. Op het moment dat burgers meehelpen in een open bronnen onderzoek en niet voorzichtig te werk gaan kan dit ervoor zorgen dat een verdachte beseft dat de politie achter hem of haar aanzit en het hazenspoor neemt (R4, Burger). Volgens een respondent zijn internetrechercheurs hier bewust van, maar burgers wellicht niet. De respondent zegt: ‘Wij moeten eigenlijk altijd denken in risico's. Stel de verdachte heeft een website, die website heeft normaal per week tien bezoekers en dan heeft die pagina misschien wel 20 of 25 personen per week. Er zou een belletje kunnen gaan rinkelen bij een verdachte, die denkt er is iets aan de hand, misschien is de politie wel aan het meekijken. Ik ga misschien wel eventjes een vlucht boeken naar Spanje om daar een paar maanden te zitten. Dan is je onderzoek stuk. Door burgers wordt daar vaak niet over nagedacht.’ (R8, Politie) Infiltratie criminelen Verder noemen twee respondenten een ander risico van burgerparticipatie. Het zou voor criminelen namelijk interessant kunnen zijn om deel te nemen aan burgerparticipatie en zo informatie te verzamelen. Een internetrechercheur zegt: ‘Stel je voor dat burgerparticipatie normaal zou worden en veel zou gebeuren. Dan zou het voor zo'n crimineel interessant zijn om daaraan deel te gaan nemen om te kijken of ze informatie kunnen gaan halen. Ze zijn in staat om mensen te infiltreren in de politie, dus mensen de opleiding in te laten gaan en zo informatie te halen, dus waarom niet zo simpels en laagdrempeligs als burgerparticipatie. Dat is natuurlijk heel duister gedacht en dat zou niet zo heel snel gebeuren, maar het kan wel’ (R8, Politie). Respondenten benoemen dat burgers van toegevoegde waarde zijn voor een opsporingsonderzoek, maar wijzen op de knelpunten van burgerparticipatie. Als burgers betrokken worden bij een open bronnen onderzoek is het van belang om de meerwaarde en knelpunten in het achterhoofd te houden. Daarnaast, hangt de betrokkenheid van burgers in een open bronnen onderzoek van andere zaken af. Allereerst, noemt een respondent dat dit afhankelijk is van het niveau van een burger op het gebied van OSINT-onderzoek (R8, Politie). Het doen van OSINT-onderzoek is volgens de respondenten niet extreem ingewikkeld, maar vergt een bepaalde mate van kennis en ervaring over bijvoorbeeld het raadplegen van de juiste open bronnen (R8, Politie & R10, Burger). Daarnaast, spelen informatie delen, wetgevingen vertrouwen een rol in in hoeverre burgers betrokken kunnen worden. 4.4 Informatie delen Allereerst is het delen van informatie een belangrijk onderwerp bij de samenwerking tussen burgers en de politie. De communicatie gaat twee kanten op; van de burger naar de politie en andersom. Het delen van informatie wordt onderverdeeld in de volgende aspecten: vastleggen van informatie, niet delen van informatie en resultaat. Vastleggen van informatie Het is binnen open bronnen onderzoek belangrijk om informatie vast te leggen en een uitleg te geven waar het bewijs vandaan komt. De reden hiervoor is dat een opsporingsambtenaar de handelingen die zijn gedaan kan reproduceren en dit kan presenteren in het onderzoeksrapport. ‘De truc is wel dat je ervoor zorgt dat je het goed vastlegt. Het moet namelijk wel reproduceerbaar zijn in een rechtszaak. (…) Oké ik klikte hier en ik klikte daar en toen kwam ik daaruit en dan zie je dit. Heel veel met screenshots en paden werken.’ (R7, Cybervrijwilliger)
  17. 17. 18 Observatie 1: Bellingcat – Truth in a Post-Truth World Stap 1: In een klein dorp in Engeland vond er op 11 en 12 augustus een extreemrechtse demonstratie plaats. Op het internet verschijnt kort daarna een foto van een man, die een andere man aanvalt. Tussen foto’s van andere rechts extremisten vinden burgeronderzoekers foto’s van een man met dezelfde overeenkomsten als op de eerste foto, zoals een vergelijkbare helm en overhemd. Stap 2: Ook wordt er gekeken naar de personen die om hem heen staan op de foto en sommige van hen duiken op bij het Twitteraccount You’re Racist met een profielfoto en naam. Vervolgens, wordt er op hun andere social media accounts gekeken om de gezochte man te vinden. Stap 3: Tussen de sociale media accounts van de mensen die om de gezochte persoon heen staan wordt een Facebookaccount gevonden van iemand die veel op de gezochte persoon lijkt. Uiteindelijk kan de persoon geïdentificeerd worden door de eigenaardige moedervlekken in de zijn nek. De gezochte persoon wordt door middel van foto’s op sociale media geïdentificeerd, wat een interessante meerwaarde is voor politie en justitie. Ook zorgt het vastleggen van de stappen ervoor dat het makkelijker wordt om verder te zoeken op bepaalde informatie (R13, Politie). Als een burger informatie wilt aanleveren is het dus belangrijk dat de stappen die gemaakt zijn worden vastgelegd. Hieronder in figuur 3 is een voorbeeld van het vastleggen van informatie uit de documentaire Bellingcat – Truth in a Post- Truth World. Resultaat Uit de interviews blijkt dat respondenten het belangrijk vinden om te horen wat het resultaat is van hun bijdrage. Een respondent benoemt wat er gebeurt als het resultaat niet kenbaar wordt gemaakt: :‘Twee inbrekers stonden op zo'n huiscamera en toen heb ik daar gezegd volgens mij is dat deze [persoon], dat bleek een Pool te zijn. Daar heb ik dan nooit meer wat van gehoord. Ik had het wel leuk gevonden als ze hadden gezegd het was hem wel of het was hem niet. Daarmee hou je ook de motivatie van mensen hou je daarbij betrokken.’ (R5, Burger). Tijdens de Hackathon hebben de respondenten de aanhouding via een livestream positief ervaren. Op een beeldscherm konden de deelnemers aan het einde van de dag live meekijken bij een arrestatie van een voortvluchtige, die op de Hackathon was opgespoord door een team. Het zien van het resultaat van de Hackathon gaf de respondenten een positief gevoel. Een respondent zegt over de live aanhouding: ‘Dat je meteen resultaat ziet, dat je gelijk ziet van wat ermee gedaan wordt met de informatie die je hebt. Dat vond ik top.’ (R14, Politie) Ook het evaluatierapport over de Hackathon dat achteraf naar de respondenten is gestuurd heeft een positief effect. Een respondent zegt hierover: ‘Je kreeg een rapport terug, dan lees ik dat er tien of elf gasten zijn opgepakt, dat vind ik dan toch gaaf. Die ervaring vind ik al leuk, dat je die bijdrage daaraan levert.’ (R10, Burger) Niet delen van informatie De wet –en regelgeving omtrent het delen van informatie kan ervoor zorgen dat vanuit de opsporing bepaalde informatie gevoelig is en niet gedeeld mag worden met burgers. Meerdere respondenten noemen het delen van contextuele informatie als een belangrijk deel van een open bronnen onderzoek. Het zorgt er namelijk voor dat gericht op het internet kan worden gezocht (R13, Politie). In het volgende voorbeeld wordt duidelijk wat een respondent met de context bedoelt: ‘Er hangt hier een coldcasekalender in het kantoor. Dan kijk ik ernaar, dan zit er een verhaaltje bij, dat is een mevrouw die is gevonden in een kliko en zij was met cement in die kliko gezet. (…) Dat vrouwtje heeft een logo en dan kleding en oh nu is het een horloge en dan is opeens haar gezicht gereconstrueerd. Dat haal je niet vanuit een coldcase kalender hoor, dat moet ik dan eerst zelf gaan googelen voor ik dat plaatje compleet heb, dat is soms heel demotiverend.’ (R4, Burger) Het niet delen van informatie zorgt ervoor dat burgers niet kunnen helpen. Een respondent zegt: ‘Als je om hulp vraagt, zal je ook open moeten zijn, want anders dan kunnen ze je ook gewoon niet helpen. Als de politie zegt van ja dit mag ik niet vertellen (…) ja hallo je vraagt om hulp en dan ga je zeggen dat je het niet kan vertellen. Dat is heel raar.’ (R1, Burger) Een andere respondent zegt: Afbeelding 5: Evaluatierapport Hackathon FASTNL (Lam & Kop, 2020). Figuur 3: Observatie 1 - Bellingcat (Verbeek, 2020).
  18. 18. 19 ‘De politie heeft meestal een beetje van kijk ons eens lekker geheim doen. Op de één of andere manier hebben ze dat een beetje af en toe. Ik kan er niks over zeggen. Dat staat af en toe ook wel successen in de weg.’ (R5, Burger) In de bovenstaande uitspraken is een gevoel van irritatie te merken bij de respondenten. Dat gevoel komt doordat burgers willen helpen, maar dit onmogelijk wordt gemaakt door het niet delen van informatie door de politie. Hierdoor voelen zij zich buitengesloten van het onderzoeksproces, wat zorgt voor irritatie. Een respondent werkzaam bij de politie geeft de volgende verklaring voor het niet delen van informatie door de politie: ‘Het zit natuurlijk in het DNA van de politie dat je niks mag delen met burgers en je mag geen informatie lekken, dat doe je niet.’ (R17, Politie) Respondenten niet werkzaam bij de politie geven een andere verklaring voor de terughoudendheid van de politie, namelijk het onbekende. Binnen de politie zijn volgens een cybervrijwilliger politiemensen onbekend met het speuren op het internet en weten niet wat ze ermee kunnen. Hierdoor worden zij onzeker en stellen zij zich terughoudend op (R7, Cybervrijwilliger). Een andere respondent is het hiermee eens en heeft de volgende verklaring: ‘Ik denk dat het voor de politie ook moeilijk is om zich gekwetst op te stellen en te zeggen we weten het eigenlijk niet, omdat je als politie hoor je het eigenlijk gewoon te weten en het op te lossen.’ (R1, Burger) Opvallend is dat de terughoudendheid beschreven door de respondenten in beperkte mate te merken is bij de respondenten bij de politie. Zij zien de gevaren van het betrekken van burgers, maar staan open voor een samenwerking met hen. Een internetrechercheur zegt bijvoorbeeld dat meer mensen moeten zien dat burgerparticipatie mogelijk is en dat het niet altijd gevaarlijk en eng is (R8, Politie). Ook tijdens de Hackathon is weinig te merken van de terughoudendheid van de politie. Een respondent werkzaam bij een private organisatie zegt: ‘Ik had niet verwacht dat er zo veel openheid zou zijn, wat betreft de dossiers, dat vond ik heel leuk om dat te zien.’ (R5, Burger) Een respondent geeft een verklaring voor de positieve houding van de respondenten bij de politie en de openheid tijdens de Hackathon. Volgens de respondent zijn OSINT mensen anders dan klassieke politiemensen. In de OSINT-wereld begrijpt iedereen dat het internet zo groot is dat onderzoekers elkaar nodig hebben (R1, Burger). Een andere verklaring is dat de respondenten die zijn gesproken voor dit onderzoek ervaring hebben met het samenwerken met burgers en hierdoor inzicht hebben in de kracht van het betrekken van burgers. Het niet delen van informatie heeft volgens de respondenten dus een negatieve impact op de samenwerking en wordt door de respondenten ervaren als terughoudendheid vanuit de politie. De reden dat informatie niet gedeeld wordt komt grotendeels door de wettelijke kaders waar het delen van informatie door wordt beperkt. 4.5 Wetgeving In dit hoofdstuk is meerdere keren de invloed van wet- en regelgeving benoemt. Bij het betrekken van burgers in een open bronnen onderzoek worden volgens een aantal respondenten de mogelijkheden beperkt door de wet –en regelgeving. ‘Ik denk dat het probleem is dat je beperkt wordt door allemaal soorten aan wetgeving die eromheen hangt.’ (R3, Burger) Die beperking uit zich doordat sommige informatie niet gedeeld mag worden met burgers. Een voorbeeld van belangrijke wetgeving die hierover gaat is de Wet Politiegegevens waarin staat dat politiegegevens niet mogen worden gedeeld, behalve onder strikte voorwaarden of uitzonderlijke gevallen (R17, Politie). Een cybervrijwilliger geeft aan dat de grens op het gebied van wet- en regelgeving niet heel duidelijk is. ‘Wat er nou precies juridisch zit van wat je nou eigenlijk wel mag doen en wat niet mag doen. Dat is voor mij niet heel duidelijk en waarschijnlijk voor heel veel mensen niet duidelijk.’ (R6, Cybervrijwilliger) Ook een respondent die vroeger bij de opsporing werkt ervoer onduidelijkheid op het gebied van wetgeving en zegt hierover: ‘Ik heb ook heel vaak gehad mag ik dit wel vertellen (…) het is heel moeilijk om daar een weg in te vinden’ (R1, Burger). Voor andere respondenten is de scheidslijn tussen wat wel en niet mag duidelijker. Een cybervrijwilliger geeft aan dat hij gevoelsmatig doorheeft dat er over grenzen heen gegaan wordt. Als het onduidelijk is kan er om duidelijkheid worden gevraagd bij collega’s of de Officier van Justitie (R15, Cybervrijwilliger). Wetgeving zorgt dus voor kaders over wat wel en niet mag bij het betrekken van burgers. Verschillende respondenten geven aan dat de politie steeds meer de grens van wetgeving probeert op te zoeken bij het experimenteren met burgerparticipatie (R7, Cybervrijwilliger & R8, Politie & R16, Politie & R17, Politie). 4.6 Vertrouwen Een ander belangrijk onderwerp bij de samenwerking tussen opsporing en burger -naast informatie delen en wetgeving- is vertrouwen. Het wordt gezien als een ondenkbaar deel van de samenwerking tussen burger en politie: ‘Vertrouwen is must.’ (R4, Burger) ‘Het vertrouwen is ook wel de basis.’ (R15 Cybervrijwilliger) Vertrouwen kan volgens de respondenten op twee manieren worden gecreëerd; screening en elkaar kennen. Screening Een aspect wat door verschillende respondenten is genoemd tijdens de interviews is het belang van een screening. Door het screenen wordt geprobeerd om de betrouwbaarheid van nieuwe medewerkers te achterhalen. Meerdere respondenten geven aan dat een screening ervoor zorgt dat er vertrouwen ontstaat. ‘Voor sommige dingen heb je een screening nodig van de politie, ik bedoel je wilt wel weten dat degene die je helpt de goede bedoelingen heeft en een beetje betrouwbaar is.’ (R6, Cybervrijwilliger) Volgens een internetrechercheur zorgt het screenen van cybervrijwilligers ervoor dat collega’s geen blokkade meer ervaren om met ze samen te werken. De internetrechercheur licht dit vervolgens als volgt toe: ‘Hetzelfde geldt ook voor die vrijwilligers, als die gescreend binnenkomen [in een opsporingsteam], weet je van oké er is onderzoek gedaan om te kijken of ze oké zijn.’ (R8 Politie)
  19. 19. 20 Drie respondenten noemen dat een screening er niet voor zorgt dat medewerkers altijd betrouwbaar zijn. Er zal altijd een risico zijn dat mensen fouten maken door de hoge werkdruk (R7, Cybervrijwilliger). Ook kan het zijn dat mensen informatie lekken door een benauwende situatie (R8, Politie). Een internetrechercheur heeft de volgende verklaring over het risico:‘Dat risico blijft altijd ook in de politiedienst. (…) er zitten altijd rotte appels tussen. Dat kan niet anders, dat is in elke organisatie. Je kunt wel de nodige screening doen om het risico kleiner te maken.’ (R12, Politie) Elkaar kennen Een andere manier om vertrouwen te bewerkstelligen is door elkaar te kennen. Een respondent benoemt dat vertrouwen ontstaat doordat er weinig schakels zijn in het mailcontact en ze daardoor direct wist wie er mailde (R9, Burger). Een andere respondent noemt dat doordat mensen bij de politie hem kennen er vertrouwen ontstaat en er hierdoor meer contact met de respondent wordt gezocht (R4, Burger). Het elkaar kennen komt tot uiting door het netwerk die respondenten hebben. Door een netwerk te hebben, kunnen er vragen over specifieke zaken worden uitgezet en kan er sprake zijn van kennisdeling. Binnen open bronnen onderzoek is het hebben van een netwerk belangrijk, omdat er verschillende specialismen zijn. Een netwerk kan ervoor zorgen dat onderzoekers die specialismen kunnen inschakelen bij bepaalde vraagstukken. Twee respondenten lichten dit toe: ‘Had jij een specifieke vraag waar jij die geografische locatie voor nodig had, dan kon je met de collega van wie dat het specialisme was kortsluiten wat je had gevonden en of deze collega nog meer hiermee kon dan wat je nu had.’ (R13, Politie). ‘Voor mij is dat een ideaal netwerk dat ik heb opgebouwd en elke dag nog krijg ik zaken binnen, nieuwe tools binnen, die we via dat netwerk delen.’ (R12, Politie). Om gebruik te kunnen maken van de specialismen binnen het netwerk is het volgens respondenten belangrijk om op de hoogte te zijn van de vaardigheden van andere onderzoekers. Een respondent geeft aan dat doordat het niet duidelijk was welke expertise de andere deelnemers hadden er geen kennisdeling was. De respondent licht toe: ‘Er zaten allemaal mensen bij, waar ik van wist dat ze interessant waren, maar ik wist niet wie wie was. (…) Dat is juist het interessante aan burgerparticipatie om te kijken op welke manier zij ernaar kijken of kennen zij iets nieuws of een andere benadering.’ (R8, Politie).Vertrouwen ontstaat dus door een screening of elkaar kennen door het netwerk. Tot slot Volgens respondenten is er geen twijfel over mogelijk dat burgers een bijdrage leveren aan een open bronnen onderzoek door middel van specifieke kennis, andere aanpak, tijd en een andere inkijk. Echter, heeft het betrekken van burgers haken en ogen, zoals het onthullen van de identiteiten en onderzoek stuk maken. Als burgers betrokken worden is het van belang dat rekening wordt gehouden met de concepten informatie delen, wetgeving en vertrouwen. De drie concepten bepalen in hoeverre burgers betrokken kunnen worden in een open bronnen onderzoek. Het delen van informatie zorgt er namelijk voor dat burgers betrokken worden bij een open bronnen onderzoek. Wetgeving heeft een averechts effect en beperkt het betrekken van burgers doordat minder informatie gedeeld kan worden. Daarentegen, zorgt vertrouwen tussen beide partijen ervoor dat er meer informatie wordt gedeeld. De resultaten geven inzicht in de verschillende thema’s die in verbinding staan met het vormgeven van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek, in het volgende hoofdstuk zal de theorie gekoppeld worden met de bevindingen. 1Hoofdstuk 5 Discussie
  20. 20. 21 5. Discussie In dit hoofdstuk wordt geanalyseerd hoe de resultaten van het onderzoek zich verhouden tot de literatuurstudie. De kennis die is ontstaan uit dit onderzoek is aanvullend op huidige theorie over het burgerparticipatie in de opsporing. In dit hoofdstuk worden verder een aantal beperkingen van het onderzoek gepresenteerd. Vormen van burgerparticipatie In de theorie wordt gewezen op het beter benutten van burgerparticipatie (Kop, Hoeven, 2011; Kop, 2016; Knapen, 2017). Ook de respondenten zien kansen als het gaat over het betrekken van burgers bij open bronnen onderzoek. Daarbij noemen de respondenten verschillende vormen van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek. De vormen kunnen worden vergeleken met de participatieladder van Monnikhof en Edelenbos (2001). Opvallend is dat alle treden besproken door Monnikhof en Edelenbos (2001) ook worden benoemd door respondenten. Onder coproduceren valt bijvoorbeeld de Hackathon en de cybervrijwilligers, waar burgers en de politie samenwerken op basis van gelijkwaardigheid. In het theoretisch kader wordt (mee)beslissen vergeleken met de verschuiving van burgerparticipatie naar politieparticipatie. Hierbij zijn de burgers leidend in een opsporingsonderzoek en participeert de politie onder leiding van de burgers (De Vries & Smilda, 2014, p. 34). Respondenten geven aan dat zij zelf niet in aanraking gekomen zijn met deze hoogste vorm van participeren. In het geval van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek houdt de politie dus een sturende rol door de mate van informatiedeling te bepalen. Als burgers willen bijdragen aan een open bronnen onderzoek zijn zij afhankelijk van de informatie die de politie deelt. Uitzonderlijke gevallen zijn te zien in de observaties van dit onderzoek. Zowel de onderzoekers van Bellingcat als Don’t F**k With Cats opereren grotendeels onafhankelijk van de politie. De grote hoeveelheden informatie beschikbaar op het internet zorgt ervoor dat burgeronderzoekers hun eigen gang kunnen gaan en niet afhankelijk zijn van de politie. Naarmate de participatie van burgers toeneemt in hogere treden wordt het delen van informatie en vertrouwen belangrijker. Als gekeken wordt naar de vormen van burgerparticipatie beschreven door Cornelissens en Ferwerda (2010) blijkt dat binnen de vier genoemde vormen OSINT-onderzoek niet wordt besproken. Echter, blijkt uit dit onderzoek dat burgers veel kunnen bijdragen aan een opsporingsonderzoek door middel van OSINT. De specifieke kennis, andere inkijk, tijd en andere aanpak van burgers hebben volgens de respondenten een belangrijke meerwaarde. Wetenschappelijke literatuur legt de nadruk op andere voordelen van burgerparticipatie, zoals ‘wisdom of the crowds’ en ‘ogen en oren’ (Surowiecki, 2004; Duijf, 2018, p. 45; van der Hoeven, 2011, p. 89). Ook benoemt de literatuur kennis en kunde als meerwaarde van burgers binnen een opsporingsonderzoek. Uit welke soorten kennis van burgers de opsporing gebruik kan maken wordt niet besproken (Kop, 2016; Duijf, 2018, p. 45). Uit de resultaten blijkt dat in de context van open bronnen onderzoek uiteenlopende soorten kennis kunnen worden gebruikt, zoals kennis over geolocating, fotografie, scooters of gamen. Burger in gevaar? Het theoretisch kader bespreekt verschillende nadelen van het betrekken van burgers. Zo zijn burgers nauwelijks gebonden aan wet- en regelgeving, waardoor de privacy van de verdachte in het geding kan komen (Buruma, 2008; Winthagen, 2014). In het onderzoek van Bekkers en Meijer (2010) wordt benoemd dat het betrekken van burgers een onderzoek stuk kan maken door het vrijkomen van belangrijke informatie over de verdachte, in andere woorden ‘daderwetenschap’. Overeenkomstig, noemen respondenten dat burgers een onderzoek stuk kunnen maken. De belangrijkste reden hiervoor wordt door de respondenten niet gezien in ‘daderwetenschap’, maar in het onthullen van de identiteit. Bovendien, kan het onthullen van de identiteit door het achterlaten van digitale sporen ervoor zorgen dat de burger in gevaar komt. Respondenten leggen daarbij de nadruk op de veiligheid van de onderzoeker door anoniem op het internet te blijven. In wetenschappelijke literatuur wordt de veiligheid van de onderzoeker dus niet besproken, terwijl respondenten hier veel waarde aan hechten. Uit het resultatenhoofdstuk blijkt dat informatie delen, wetgeving en een belangrijke rol spelen bij de mate waarin burgers kunnen worden betrokken in een open bronnen onderzoek Informatie delen Informatie delen wordt in de literatuur gezien als een belangrijk onderwerp binnen de samenwerking tussen burger en politie (Lam & Kop, 2020a; Bekkers & Meijer, 2010; Van Der Hoeven, 2011, p. 89). Respondenten benoemen het delen van informatie ook als een onmisbaar aspect van de samenwerking. Als burgers informatie delen met de politie is het belangrijk om de stappen vast te leggen. Omgekeerd zorgt het niet delen van informatie door de politie ervoor dat burgers niet kunnen helpen. Het niet kunnen delen van informatie komt volgens de respondenten door wet -en regelgeving en wordt ervaren als terughoudendheid vanuit de politie. In het artikel van Kerstholt & De Vries (2018) wordt het belang van response- efficiency benoemt bij het delen van informatie. Het uitgangspunt bij response-efficiency is dat een burger in actie komt als een burger gelooft dat een bepaalde actie een bijdrage levert aan een probleem (Kerstholt & De Vries, 2018, p. 17). Uit dit onderzoek blijkt dat respondenten een terugkoppeling van hun bijdrage willen ontvangen. De livestream en het evaluatierapport van Lam en Kop (2020b) hebben zij als positief ervaren en zorgt ervoor dat de respondenten gemotiveerd blijven om een bijdrage te leveren aan een opsporingsonderzoek. Hiermee wordt de response-efficiency uit het theoretisch kader bevestigt in de praktijk van burgerparticipatie in open bronnen onderzoek. Vertrouwen Een ander aspect van de samenwerking dat door alle respondenten genoemd wordt is vertrouwen. Overeenstemmend wijzen verschillende onderzoeken op het belang van vertrouwen tussen burgers en de politie (Beunders et al., 2011; Van Der Land, Van Stokkom&Boutellier, 2014; Van Der Hoeven, 2011). De nadruk ligt binnen de onderzoeken op het toenemende vertrouwen van burgers in de politie door te participeren (Van Der Land, Van Stokkom&Boutellier, 2014). In de interviews met respondenten komt het vertrouwen van de burger in de politie nauwelijks naar voren. Daarentegen, is het vertrouwen van de politie in de burger een thema dat meermaals wordt genoemd. Respondenten geloven dat een screening en elkaar kennen zorgt voor een hogere mate van vertrouwen. Elkaar kennen komt tot uiting in het netwerk van de respondenten, waar sprake is van kennisdeling tussen de OSINT- specialisten. Vertrouwen speelt volgens de theorie een belangrijke rol in het delen van informatie (Datema, 2015), wat in dit onderzoek wordt bevestigd door de respondenten. Beperkingen In dit onderzoek zijn een aantal beperkingen die invloed hebben gehad op de kwaliteit van het onderzoek. Ten eerste, is tijdens het onderzoek gebleken dat het onderscheid tussen de opsporing en burgers in de praktijk ingewikkeld is. Er zijn publieke en private organisaties die zich ook bezighouden met het opsporen van informatie op het internet. Sommige respondenten zijn hierdoor geclassificeerd als burger, terwijl zij zichzelf niet binnen die groep plaatsen. Daarnaast, gaven respondenten tijdens de interviews aan dat het onduidelijk was over welke burger het ging. Burgers kunnen namelijk verschillende niveaus op het gebied van OSINT- onderzoek hebben, wat bepaalt in hoeverre zij betrokken kunnen worden in een open bronnen onderzoek. Tijdens de analyse was het in sommige gevallen onduidelijk over welke ‘soort’

×