Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

Let op je woorden - Jan Blommaert

Presentatie 'Let op je woorden' van Jan Blommaert tijdens de Trefdag sociaal-cultureel werk op 17 november 2016 in de Zebrastraat in Gent.

  • Login to see the comments

  • Be the first to like this

Let op je woorden - Jan Blommaert

  1. 1. Let  op  je  woorden Jan  Blommaert
  2. 2. Zeggen  en  uitdrukken • Er  is  geen  neutrale  of  objectieve  taal • Steeds  perspectief en  frame – Perspectief:  iemands standpunt  en  belangen – Frame:  één  woord  roept  ander  op – DUS:  steeds  partieel:  “highlighting” • Drie  vragen: – Welke  realiteit  wordt  er  beschreven? – Vanuit  wiens  perspectief?  Wiens “feiten”  zijn  dit?   – Hoe  kan  men  dit  herformuleren?
  3. 3. • Eigenwijs  – besluitvaardig • Arrogantie  – zelfzekerheid • Affairistisch  – pragmatisch • In  de  greep  van  belangengroepen  – met  een  breed   maatschappelijk  draagvlak • Taboe  – niet  aan  de  orde • Psychologische  truukjes  – de  kunst  van  het  onderhandelen • Propaganda  – perceptie • Een  bocht  maken  – het  standpunt  aanpassen  aan   gewijzigde  omstandigheden • Geen  visie  hebben  – praktisch  denken
  4. 4. Politiek • De  kunst  om  met  gezag  en  impact  te  definiëren – Politiek  is  praten,  lezen  en  schrijven – Politiek  succes  =  een  opgelegde  definitie  wordt  een   feit,  wordt  normaal • Je  pikt  uit  de  complexe  realiteit  een  aantal   aspecten  en  stelt  die  voor  als  “de”  realiteit  (“het   probleem”,  “de  feiten”) • Waarna  je  op  die  realiteit  gaat  reageren  (“de   oplossing”)
  5. 5. 1.  Succes:  “de  economie” • Sinds  2008:  enorme  vernauwing van  “economie” – Wie?  Private  bedrijven,  aandeelhouders – Wat?  Autonome  wereld,  eigen  regels,  boven  politiek • Domineert  zowat  alle  publieke  vertogen • Vreemd:   – overheid en  nonprofit  veruit  grootste  werkgevers     – geen  private  economie  zonder  publieke  infrastructuur   (bijv.  Onderwijs) – Economische  actoren:  consumenten,  werkers,   werklozen,  kinderen,  bejaarden,  overheid
  6. 6. Wat  wordt er beschreven? Herformulering? • Economie =  kapitalisme – Economische recessie =  recessie van  het   kapitalisme – De  groei van  de  economie =  groei van  kapitalisme – Economische relance =  kapitalistische relance – Zuurstof voor de  economie =  zuurstof voor het   kapitalisme
  7. 7. • Economie =  de  bedrijven,  niet de  samenleving – Economische relance =  relance van  bedrijven – Voorrang voor de  economie =  voorrang voor de   bedrijven – Maatregelen ten  nadele van  de  economie =  ten   nadele van  de  bedrijven
  8. 8. • Competitiviteit =  de  capaciteit om meer winst te maken dan de  concurrenten • Groei =  toename van  de  bedrijfswinsten • Een slecht investeringsklimaat =  teveel belastingen • Zuurstof voor de  economie =  verlaging van  de   belastingen voor bedrijven (zuurstof =  geld) • Loon”last”  =  de  lonen die  werkers ontvangen voor hun arbeid
  9. 9. • Loonhandicap =  het  bedrijf dat te veel loon   denkt te betalen aan haar werkers • Loonkloof =  werkers verdienen nog  minder   elders DUS:  “onze economie”:  wiens economie? Uiterst partieel beeld van  “de  economie”  in  de   reële zin.
  10. 10. 2.  Bezig:  “allochtonen” • Gastarbeider  >  migrant  >  allochtoon – Wij-­‐zij – Realiteit:  “allochtoon”  =  dozijnen  verschillende   groepen;  nu  “vluchtelingen” – Selectief:  “expatriates”  versus  “allochtonen” • Migratiestromen:  frame – Vloedgolf,  tsunami,  “overspoeling” – Overweldigende  kracht,  bedreiging – Niet  menselijk,  niet  individueel – “crisis”
  11. 11. • Wij zijn  de  echte  slachtoffers  van  de   “vluchtelingencrisis”,  niet  de  vluchtelingen  zelf • Ons leven  wordt  ontregeld  door  vluchtelingen • We  moeten  ons  beschermen  en  verdedigen
  12. 12. tegenover • Humanitaire,  solidaire,  individuele   “grassroots”  benadering • Die  vluchtelingen als  slachtoffers  beschouwt • Die  onze hulp  nodig  hebben  en  verdienen • De  problemen  die  ze  veroorzaken  zijn  kleiner   dan  de  problemen  die  ze  hebben.
  13. 13. Twee  frames • Twee  volkomen  tegengestelde  definities  van   “de  feiten” • Tegengesteld  op  niveau  van  uitgangspunten • Scheppen  allebei  een  contrasterende  logica • Verhitte  (gepolariseerde)  discussies • Onbeslist
  14. 14. Hoe  ga  je  hiermee  om? • Bewust  worden  dat  alles  herformuleerbaar  is • En  dat  die  herformulering  een  verandering   inhoudt  van  perspectief – Wijziging  van  uitgangspunten • Maar  evengoed  de  “feiten”  beschrijft • En  bovendien  die  feiten  weergeeft  vanuit  jouw perspectief
  15. 15. Oefening:  “integratie” • Dominant:  “integratie”  is  één  beweging   • Met  één  doel:  “de”  samenleving • Waar  je  op  dit  moment  buiten  staat Je  bent   OF  geïntegreerd OF  niet-­‐geïntegreerd
  16. 16. Tegenover • Integratie  verloopt  in  talloze  afzonderlijke   domeinen  op  andere  manieren Je  bent -­‐geïntegreerd  in  talloze   “samenlevingen” -­‐geïntegreerd  in   verschillende  mate
  17. 17. Opdracht • Maak  een  overzichtje  van  de  domeinen  in  je   leven  waarin  je – “volledig”  geïntegreerd  bent – “goed”  geïntegreerd  bent – Aan  het  integreren  bent – “slecht”  geïntegreerd  bent – “Niet”  (meer)  geïntegreerd  bent

×